BRUSSEL -- De loonverschillen op de Belgische arbeidsmarkt zijn klassiek. Mannen verdienen meer dan vrouwen, bedienden meer dan arbeiders, academici meer dan technisch geschoolden. Minder bekend is dat de lonen in Vlaanderen amper hoger liggen dan in Wallonië. En dat 10 procent van de arbeidskosten bestaat uit vergoedingen voor niet-gewerkte dagen.

Dat alles bleek gisteren in de marge van een studiedag over arbeidsmarktstatistieken, in het Brusselse Congressenpaleis. Een rist overheidsinstanties en studiebureaus wisselde er gegevens en ervaringen uit.

Volledig accurate en actuele loonstatistieken bestaan in ons land nog altijd niet, al doet de databank van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het op dat vlak steeds beter. Maar uit de beschikbare cijfers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) komen -- hoewel de absolute bedragen voorbijgestreefd zijn, want al enkele jaren oud -- toch relevante verhoudingen over de loonvorming naar voren (zie grafiek) .

Eerste vaststelling: de gemiddelde bruto maandlonen liggen het hoogste in Brussel, meer bepaald 13.000 frank hoger dan het nationaal gemiddelde. Vlaanderen scoort net onder dat gemiddelde, Wallonië nog iets lager, maar minder dan vaak wordt verondersteld.

Twee: er blijft een duidelijk loonverschil bestaan tussen mannen en vrouwen. Gemiddeld verdienen vrouwen 16.000 frank minder per maand dan mannen. Het referentiepunt zijn de lonen in de industrie en de commerciële diensten, geen onderwijs en non-profit (waar veel vrouwen werken).

Drie: het loon van de jongeren (min 25-jarigen) bedraagt gemiddeld 60 procent van dat van hun oudere collega's, de 50-plussers.

Eenzelfde verhouding geeft het loonverschil naargelang het onderwijsniveau. Opvallend is dat een technisch diploma niet veel meer doet verdienen dan het diploma lager onderwijs. Alleen met een diploma hoger onderwijs gaan de lonen fors omhoog.

Bij de indeling naar beroepsgroepen behalen de ongeschoolden nauwelijks 40 procent van het loon van de bedrijfsleiders en het hoger kaderpersoneel. Dat bedienden meer verdienen dan arbeiders, is klassiek.

De totale arbeidskosten voor een werkgever bestaan slechts voor 57 procent uit de brutolonen en bijhorende premies. Een tiende van de kosten gaat naar vergoedingen voor niet-gewerkte dagen, een vierde naar de wettelijke sociale bijdragen. Minder zwaar wegen de aanvullende pensioen- en ziekteverzekeringsbijdragen en de zogenaamde rechtstreekse sociale uitgaven: gewaarborgd loon bij ziekte of invaliditeit, maar ook maaltijdcheques en de terugbetaling van transportkosten van het personeel. Opmerkelijk is ook de tabel over het aantal effectief gepresteerde arbeidsuren. In 1996 waren er dat gemiddeld 1.543 voor een voltijdse werknemer en 858 voor een deeltijdse werknemer. Een deeltijder werkt tussen halftijds en twee derde van een voltijder. De regionale verschillen zijn groot: de werktijd is het langste in Brussel voor voltijders en in Wallonië voor deeltijders.

Al die verschillende parameters maken het moeilijk om een lineaire loonpolitiek te (blijven) voeren. Dé werknemer bestaat niet, evenmin als dé werkloze. Het debat in het najaar tussen de vakbonden en de werkgeversfederaties zal dan ook niet over één strikte loonnorm gaan, maar over een loonmarge met ruimte voor verschillende loonevoluties naargelang regio, sector en beroepsgroep.