Het resolute regeringsoptreden heeft bijgedragen tot de heropleving van de economie, die klappen kreeg in de wereldwijde financiële crisissen van 1997 en 1998. Maar de beleidsmakers mogen niet op hun lauweren rusten, schrijft Martin Wolf.

Het is nauwelijks te geloven dat amper anderhalf jaar geleden de financiële markten ontredderd waren en de beleidsmensen op de rand van de paniek stonden. De sfeer is vandaag helemaal omgeslagen.

Toegegeven, Alan Greenspan, de voorzitter van de Federal Reserve, vond het tijdens zijn toespraak vorige week voor het Amerikaans parlement nodig om te benadrukken ,,dat er een reeks onevenwichtigheden bestaat die het voortduren van onze welvaart kunnen bedreigen als ze niet onder controle worden gehouden.'' Maar voorspellers zien nu een jaar van sterke, mondiale groei op ons afkomen en denken dat er nog meer zulke jaren zullen volgen. Er wordt zelfs gesproken over ''een langdurige boom''. Klopt dat? En als het klopt, wat moeten we dan denken van de crisissen van 1997 en 1998? Was dat dan maar een opgeklopt verhaaltje van een idioot, dat verder niets te betekenen had? Helemaal niet.

De jongste voorspellingen van het economisch team van de zakenbank Goldman Sachs, de nestors van degelijkheid, stellen voor dit jaar een internationale groei van net geen 4 % voorop. In 1998 was dat 2,3 % en vorig jaar 3,2 %. Die sterke groei wordt in 2000 voor elke belangrijke economie voorspeld, behalve voor Japan waar een groei van 1 % wordt voorzien.

Goldman Sachs voorspelt 4 % groei in de VS, 3 % in de eurozone, 2,9 % in Groot-Brittannië, 3,5 % in Canada en 4 % in Australië. De economie van Latijns-Amerika zou, na een stagnatie vorig jaar, 3,9 % groeien en in Centraal- en Oost-Europa 4,2 %. Zelfs voor het ongelukkige Rusland voorspellen ze dit jaar een groei van 3,4 %.

Maar het belangrijkste deel van het verhaal is de verbazingwekkende comeback van Azië. De schuldcrisis van Latijns-Amerika in 1982 betekende een verloren decennium voor ieder van de getroffen landen, behalve voor Chili dat zich beter herstelde dan de rest. Door de Aziatische crisis ging er hooguit één jaar verloren. Dat valt vooral op in Zuid-Korea, waar het bruto binnenlands product in 1998 met 5,8 % was gekrompen en vorig jaar al 10 % was gestegen. De Koreaanse productie ligt nu al ongeveer 4 % hoger dan voor de crisis.

Het aanpassingsvermogen van Korea is altijd al uitzonderlijk geweest. Maar volgens de voorspellingen van Goldman Sachs zouden ook Maleisië en Thailand tegen het einde van dit jaar opnieuw hun niveau van voor de crisis halen. Maleisië kende in 1998 een terugval van 7,5 %, gevolgd door een stijging van 5,2 % vorig jaar. Voor 2000 wordt ongeveer hetzelfde stijgingspercentage voorspeld. In 1998 zakte het Thailandse bbp met 10,4 %, vorig jaar steeg het 5 % en dit jaar wordt een groei van 6 % voorspeld. Indonesië is de enige uitzondering in dit verhaal en dat heeft vooral met politiek te maken. In 1998 kreeg het bbp daar een klap van 13,2 % en vorig jaar kwam daar nog eens 0,4 % bij. Voor dit jaar zou de groei slechts 2,4 % bedragen.

Per saldo zouden de Aziatische economieën, met uitzondering van Japan, dit jaar meer dan 6 % groeien. In 1999 was dat 6,2 % en een magere 2,1 % in het crisisjaar 1998. Bij die snelgroeiende economieën hoort nu ook India (6 % groei tijdens de crisis). Ook China wordt nog steeds meegeteld, ondanks de moeilijkheden met werkloosheid, oninbare schulden bij banken en deflatie. Samengevat: het belangrijkste economische verhaal van de voorbije twintig jaar, het verhaal van de convergentie van het inkomensniveau in de ontwikkelde economieën voor een toenemend deel van de bevolking van Azië, heeft zijn geloofwaardigheid herwonnen.

Dat is opvallend nieuws. Maar is het ook overtuigend nieuws? Vorig jaar werd in een rapport van ING Barings Bank de optimistische visie goed weergegeven (*). Delen van het verhaal zijn de snelle technologische ontwikkelingen, vooral inzake communicatie, en het feit dat bijna alle regeringen voorstander zijn van economische liberalisering en privatiseringen. In deze wereld van snelle communicatie en van vrij verkeer van goederen, diensten en kapitaal, zijn regering in een ,,institutionele concurrentiestrijd'' verwikkeld. Ze worden gedwongen om een gezond budgettair en monetair beleid te voeren, om storende invloeden uit hun financieel systeem te weren en de kwaliteit van hun arbeidskrachten op te trekken. De regeringen die dat doen, zullen worden beloond; zij die daar niet in slagen, worden afgestraft.

De financiële crisissen van '97 en '98 kunnen vanuit dat opzicht op twee manieren worden beoordeeld. Enerzijds kun je ze zien als groeipijnen en dus als een onvermijdelijk aspect van een dynamische, snel integrerende wereldeconomie. In de negentiende eeuw waren financiële crisissen schering en inslag in de opkomende economieën, met de VS toen in de vedetterol.

Die crisissen waren het gedeeltelijk onvermijdbare gevolg van het omslaan van de stemming van euforie naar paniek, wat een kenmerk is van dynamische markteconomieën. Die crisissen waren ook het gevolg van het samenspel van onwetende, hebzuchtige, buitenlandse investeerders met wat we nu ,,gabber kapitalisme'' zouden noemen. Hoe erg die crisissen ook zijn geweest, ze hebben de VS toch niet belet om de grootste economische macht van het einde van de 20ste eeuw te worden. Zo zullen vergelijkbare crisissen het opkomende Azië niet beletten om, zoals zijn menselijk potentieel lijkt te suggereren, het belangrijkste centrum van de wereldeconomie te worden tegen het einde van de 21ste eeuw.

Anderzijds kun je die crisissen ook bekijken als een waarschuwing en een les. Economische ontwikkeling is meer dan alleen maar accumulatie van kapitaal en technische vooruitgang. Het heeft ook te maken met het organiseren van geavanceerde instellingen en invoeren van gedragsnormen, zowel privé als openbaar. Het zou leuk zijn als dat soort hervormingen er spontaan en rimpelloos zouden komen. De geschiedenis leert dat het veeleer via crisissen zal gaan. Eén voorbeeldje maar. De rol die centrale banken in crisissen speelden door de de hoeveelheid geld die in omloop wordt gebracht te controleren, is niet gegroeid uit theoretische overwegingen maar door pijnlijke ervaring.

In deze uiterst optimistische visie gebeurt alles om bestwil in deze wereld. De nieuwe Aziatische economieën hebben door de financiële crisis dezelfde harde lessen geleerd die de Amerikanen en de Europeanen in de 19de en de 20ste eeuw hebben gekregen.

De Aziatische economieën zullen er een competitiever, transparanter, gezonder en opener financieel systeem aan overhouden. Ze hebben al een hoge spaarquote, een flexibele arbeidsmarkt, zeer gemotiveerde arbeidskrachten en ondernemerschap in overvloed. Hun gereorganiseerd financieel systeem zal het aanwenden van de beschikbare middelen, vooral van kapitaal, efficiënter doen verlopen. Het slechte financiële klimaat zal voor deze economieën dan omgeslagen zijn naar nog grotere economische slagkracht.

Op heel lange termijn zal de crisis misschien een goeie zaak blijken te zijn, of tenminste niet meer dan een dipje in de groei van Azië. Maar je kunt het ook vanuit een even plausibel maar somberder perspectief bekijken. Die visie werd eind vorig jaar perfect verwoord in het rapport van de Wereldbank over de mondiale economische vooruitzichten (**).

De Bank hamert op twee centrale punten. Ten eerste kosten zulke crisissen gigantisch veel aan onschuldige betrokkenen, vooral aan de armen. Die kosten kunnen de politieke stabiliteit ondermijnen en zonder die stabiliteit kan er geen economische vooruitgang zijn. Ten tweede zijn de economische kosten zo hoog dat een snelle herhaling van de crisis ondraaglijk is en dat duurzaam herstel een enorme opdracht wordt.

Over dat eerste punt stipt de Wereldbank aan dat wijzigingen van het gezamenlijk inkomen per hoofd van de bevolking een asymmetrisch effect heeft voor de armen. Als het goed gaat, verdienen ze in verhouding minder dan wat ze verliezen als het slecht gaat. Op de flexibele Oost-Aziatische arbeidsmarkt waren de gevolgen voor de tewerkstelling veeleer bescheiden, maar het effect op het loon was enorm. In Korea bijvoorbeeld, daalde in 1998 de tewerkstelling met 5,8 procent, maar de reële lonen buiten de landbouwsector daalden met 10 procent. Merkwaardige genoeg steeg de tewerkstelling in Indonesië met 2,6 procent, maar de reële lonen daalden met 42 procent. Wat zou er in een ontwikkeld land onder die omstandigheden gebeurd zijn met de politieke stabiliteit?

Bij het tweede punt beklemtoont de Bank hoe diep de schuldenput wel is waar de bedrijven en regeringen in hadden kunnen tuimelen. In september 1999 bestond 45 % van de totale financiële activa in Thailand uit oninbare leningen. Zelfs in Korea was dat nog 19 % van de activa in juni van vorig jaar. Die toestand ondermijnt zowel de mogelijkheden als de bereidheid van de financiële markten om forse leningen toe te staan aan potentieel productieve ondernemingen. In Indonesië, dat het zwaarst van allemaal door de crisis werd getroffen, kon 64 % van de ondernemingen in het tweede kwartaal van vorig jaar zijn schuldverplichtingen niet meer nakomen.

Omdat regeringen vastbesloten zijn hun belangrijkste financiële instellingen te redden, laten ze de overheidsschuld in belangrijke mate toenemen. De Wereldbank schat de kosten voor het opnieuw kapitaliseren op 16 % van het bbp van Zuid-Korea, 32 % in Thailand en een verschrikkelijke 58 % in Indonesië. In elk van die landen, met uitzondering van Indonesië, was de oorspronkelijke overheidsschuld gelukkig aan de bescheiden kant. Daarom kun je ook optimistisch gestemd zijn en vermoeden dat die landen wel uit hun nieuwe schuldenput zullen geraken. Maar het wil ook zeggen dat zo'n crisis niet snel en vlotjes voor herhaling vatbaar is.

Je kunt die crisissen dan ook niet anders zien dan als een menselijke catastrofe en een economische ramp. Toch lijkt het erop dat de sterke punten van Azië, in combinatie met de doortastende initiatieven van de meeste regeringen, hebben geleid tot een snel einde van de crisis en tot nieuw uitzicht op snelle groei.

Als de wereldwijde omstandigheden gunstig blijven en als ze hun lessen uit de crisis hebben getrokken -- het voeren van een rentebeleid, opstellen van financiële spelregels, de financiële wederopbouw en het nauwgezet in de gaten houden van de economische balans van het land -- dan zullen de getroffen landen hier versterkt uitkomen. Maar de schade is enorm geweest. Als ze verder doen met de hervormingen, dan zullen ze weer welvarend worden. Maar ze mogen in geen geval op hun lauweren gaan rusten, want dan zouden ze gemakkelijk opnieuw in hetzelfde verhaal kunnen verzeilen.

  • (*) Towards a Long Boom? December 1999
  • www.ingbarings.com

  • (**) Global Economic Prospects and the Developing Countries 2000
  • www.worldbank.org

    © The Financial Times