Albert Tiberghien
© rr
BRUSSEL -- In een ziekenhuis in Marche is gisternamiddag Albert Tiberghien (86) overleden, schilder, humorist, hoogleraar, maar bovenal de grondlegger van de fiscale 'wetenschappen' in ons land.

Tiberghien was als het ware de eerste fiscalist in België. Hij maakte van belastingrecht zijn specialiteit op het einde van de jaren dertig, een heel ongewone carrièrekeuze in die tijd. Maar naarmate de belastingdruk steeg en de fiscale wetten veelvuldiger en ingewikkelder werden, groeiden zijn naam en faam. Albert Tiberghien werd een monument.

Geboren in Gent in 1915 studeerde hij rechten, notariaat en bestuurswetenschappen. Hij begon aan de balie maar ging daar al spoedig weg om in het begin van de jaren veertig een eigen kantoor op te richten voor fiscaal advies, Tiberghien & Co. Het was een van de eerste kantoren in ons land gespecialiseerd in belastingrecht. Hij werd in 1941 hoogleraar fiscaal recht in de Sint-Aloysius Handelshogeschool in Brussel.

In 1943 schreef hij, samen met de Gentse advocaat Edmond Ronse, het Handboek der Inkomstenbelastingen . In 1955 volgde het Handboek voor Fiscaal Recht , gemeenzaam de ,,Tiberghien'' genoemd, na verloop van tijd een jaarlijkse publicatie die een echte ,,bijbel'' werd voor de fiscalisten. In 1949 begon hij met het Algemeen Fiscaal Tijdschrift waarvan na verloop van tijd ook een Franstalige editie verscheen.

Bij het grote publiek kreeg Albert Tiberghien bekendheid door de publicatie van fiscale stukjes in De Standaard . Van mei 1947 tot januari 1990, toen hij 75 werd, schreef hij samen meer dan 4.000 artikelen voor de krant, afwisselend met de rubrieken Fiscale Kroniek en Fiscaliana , het eerste wat ernstiger, het tweede wat ludieker en uitdagender. Via zijn bijdragen in De Standaard maakte hij de fiscaliteit voor iedereen toegankelijk, want hij verstond de kunst om moeilijke dingen op een eenvoudige en duidelijke manier uit te leggen.

In 1951 stond hij aan de wieg van het Nationaal Verbond van Belastingconsulenten, waarvan hij tot 1974 voorzitter was, en in 1958 van de Confédération Fiscale Européenne, waarvan hij twintig jaar lang voorzitter bleef. ,,In heb inderdaad veel mee opgericht'', zei hij daarover. ,,Niet moeilijk, want er was niets.'' Een van zijn grote verwezenlijkingen is ongetwijfeld ook de oprichting in 1969, samen met Willy Maeckelbergh, van de Fiscale Hogeschool in Brussel, die de kweekschool werd van een hele generatie fiscalisten.

Albert Tiberghien nam geen blad voor de mond en had een scherpe pen. Hij zat nooit verlegen om een gevatte uitspraak. Hij vond de inkomstenbelastingen een onding en spaarde zijn kritiek op de overheid en de fiscus niet. Regelmatig haalde hij uit naar de politici voor de slordigheid waarmee ze fiscale wetten maakten.

Dat maakte hem in die kringen niet bepaald sympathiek. Hij kreeg het dan ook zelf aan de stok met de fiscus: de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) bezocht in 1985 zijn kantoor en beschuldigde hem, de coryfee van de Belgische fiscalisten, van belastingfraude. Hij werd uiteindelijk in eerste aanleg en in beroep vrijgesproken, maar de hetze van de BBI had wel zeven jaar geduurd. Hij was bijzonder bitter daarover: ,,De schade die men mij heeft aangedaan, is moreel en materieel groot en onherstelbaar.''

Toen hij in 1990 vijfenzeventig werd, zette Albert Tiberghien een punt achter zijn actieve loopbaan en trok hij zich terug, afwisselend op zijn kasteel in de Ardennen en zijn huis in Florida. Daar hield hij zich onder meer bezig met lezen en met schilderen en etsen. Want kunst was zijn eerste liefde, voor fiscaliteit. ,,Kunst was de alcohol die mij op de benen hield'', zei hij daarover, ,,als compensatie voor het droge van de fiscaliteit''.

In zijn luchthartige memoires ,,Tiberghien vertelt Tiberghien'', verschenen in 1991, noemt hij zichzelf een ,,clown triste''. ,,Ik heb nooit iets gedaan wat gemakkelijk was'', legde hij uit, ,,en ik heb om mij heen veel ongeluk gezien. Ik heb negen jaar in oorlogen geleefd, en nog eens negen jaar in economische depressies. Dat is achttien jaar. Eigenlijk voel ik me altijd triestig, en dat probeer ik wat te bedekken met een dun laagje humor.'' (sm)