BRUSSEL -- Het is de logica zelf, maar daarom niet minder belangrijk: luchtvaartmaatschappijen kunnen alleen lagere tarieven aanbieden dan de concurrentie als ook hun kosten lager zijn. En dat is niet zo evident, want veel kosten zijn vast en alle luchtvaartmaatschappijen drukken hun kosten.

Geen luchtvaartmaatschappij of ze voert een beleid van kostenreductie en besparingen. Omdat ze alle vliegtuigen, boordpersoneel en brandstof nodig hebben en de veiligheidsvereisten in heel Europa even streng zijn, proberen lagetarievenmaatschappijen vooral een hogere productiviteit na te streven.

Niet toevallig vliegen ze meestal op drukke routes, waar de vraag groot genoeg is om telkens heen en weer te vliegen en de tijd aan de grond zo kort mogelijk te houden. De korte tijd aan de grond is trouwens een van de redenen waarom Ryanair op secundaire luchthavens vliegt, zoals Beauvais in plaats van Parijs of Charleroi in plaats van Brussel.

Op kleinere luchthavens kan de handling vlugger gebeuren dan op drukke luchthavens. Bovendien zijn de landingsrechten er lager. Nadeel is natuurlijk dat de bestemming een stuk minder interessant is. Een drukke trafiek van zakenreizigers op Beauvais of Charleroi kun je wel vergeten. Aansluitingen zijn er ook niet, maar dat is niet belangrijk want lagetarievenmaatschappijen mikken op punt-tot-puntverbindingen.

Een andere manier om de productiviteit te verhogen is vliegen met minder cabinepersoneel. Een lagetarievenmaatschappij zal drie man cabinepersoneel hebben op een Boeing 737, tegen vijf of zes voor een klassieke maatschappij. Dat kan alleen maar omdat de eerste geen maaltijden aan boord verstrekt. Die afwezigheid van maaltijden betekent dus een dubbele besparing.

Verder kan worden beknibbeld op de arbeidsvoorwaarden van het personeel. Kenmerkend voor lagetarievenmaatschappijen zijn het hoge personeelsverloop en klachten over de behandeling van het personeel. In het begin van zijn bestaan had ook Virgin Express daarmee af te rekenen. Nu gaat de maatschappij er prat op dat al haar piloten vliegen onder de Belgische sociale wetgeving.

Minder omstreden zijn besparingen in de verkoop en marketing. Typisch voorbeeld hiervan is de afwezigheid van tickets. Klanten krijgen in ruil voor het afgesproken dossiernummer onmiddellijk hun instapkaart. Maar in laatste instantie veranderen van vlucht, laat staan van maatschappij, is moeilijker tot onmogelijk.

Opmerkelijk is dat lagetarievenmaatschappijen in Europa vooral een Brits fenomeen zijn. Het heeft ongetwijfeld te maken met de grote markt voor vrijetijdsvliegen op het eiland, alsook met het gunstige ondernemingsklimaat. Op het continent slaat de formule minder aan. Virgin Express is geen ,,zuivere'' lagetarievenmaatschappij. Een derde van de omzet haalt ze uit vluchten die ook voor Sabena worden uitgevoerd, en er is aan boord een ,,minimale'' service. Tegelijk hebben ook de klassieke luchtvaartmaatschappijen niet stil gezeten. Via allianties proberen ook zij hun kosten te drukken en met gemeenschappelijke getrouwheidsprogramma's binden ze frequente reizigers aan zich. In de mate dat ze daarin slagen, kunnen ook zij goedkope tickets aanbieden.