De triade Amerika-Europa-Japan die op internationaal economisch vlak de lakens pleegt uit te delen, maakt zich groeiende zorgen over de minder meegaande houding die de grote ontwikkelingslanden beginnen aan te nemen.

Een land als India, dat nog weet wat koloniale verhoudingen betekenen, durft zich soms al te gedragen alsof het een zesde van de mensheid vertegenwoordigt. En het staat met zijn toegenomen zelfbewustzijn lang niet alleen. De ergernis over de houding van de rijke landen wordt nu luidop geventileerd.

Dat belerend wordt gedaan over arbeidsvoorwaarden en milieuzorg, tot daar nog aan toe. De industrielanden vergeten graag dat ook zij destijds kinderen naar de mijnen en de textielfabrieken stuurden en dat natuurbehoud niet bepaald hun hoofdbekommernis was. Maar dat is geen reden waarom de jonge landen het in een vergelijkbaar stadium van hun ontwikkelingsproces niet zouden proberen beter te doen.

Ze weten natuurlijk wel dat een Amerikaan tientallen keren meer beslag legt op het gemeenschappelijke milieu dan een Zambiaan. En ze zouden ook de bedenking kunnen maken dat de arbeidsvoorwaarden van de Afrikanen, Aziaten en Zuid-Amerikanen ons koud lieten zolang zij voor ons, liefst zo goedkoop mogelijk, ertsen opdelfden en grondstoffen voortbrachten. Onze bezorgdheid voor hun welzijn werd pas gewekt toen ze ook industriële producten begonnen te maken die met de productie van onze eigen werknemers in concurrentie kwamen. De vooruitgang is hoe dan ook verheugend.

Als de industrielanden en de door hen gedomineerde internationale instellingen de corruptie in vele landen aanklagen en zich bezorgd tonen over de kapitaalvlucht, laten ze doorgaans na eraan toe te voegen dat de miljarden van de potentaten niet belegd zijn in Noord-Korea of bij Saddam Hoessein, maar in westerse banken.

Ook de krokodillentranen die vergoten worden over de hersenvlucht uit de jonge landen komen enigszins ongepast over. Dat de betere studenten aan Amerikaanse topuniversiteiten gaan voortstuderen en daarna niet meer naar eigen land terugkeren, is één zaak; dat we ons immigratiebeleid afstemmen op het aantrekken van IT-specialisten een andere.

We hebben de rest van de wereld ervan weten te overtuigen dat protectionisme een slecht beleid is. Onze lessen zijn zozeer ter harte genomen dat de vroegere adepten van de zelfvoorziening nu vaak een liberaler handelsbeleid voeren dan hun bevoogdende leermeesters. Bijzonder ergerlijk is daarom dat ze hun landbouw- en textielproducten niet aan de welgestelde verbruikers in Noord-Amerika, Europa en Japan mogen verkopen en dat ze op de koop toe met concurrentievervalsende subsidies van derde markten worden verdreven, zoals twee prominente woordvoerders van de ontwikkelingswereld hieronder toelichten.

,,Een van de schandalen van het internationale systeem'', zegt Stanley Fischer, de Amerikaanse adjunct-directeur-generaal van het IMF, ,,is de aanhoudende steun aan de landbouw door de rijke landen.'' De directeur-generaal van de World Trade Organisation, de Nieuw-Zeelandse politicus Mike Moore, geeft toe dat het wereldhandelsstelsel ,,net zo min evenwichtig is als dat de aarde rond is''. De subsidies in de Oeso-landen zijn gelijk aan het bruto binnenlands product van Afrika, en hun afschaffing zou de ontwikkelingslanden driemaal meer voordeel opleveren dan alle ontwikkelingshulp samen.

De regeringen van de rijke landen doen er het zwijgen toe. Hooguit is er een verveelde verwijzing naar de politieke macht van de Franse en de Japanse boeren.

Dat de lancering van een nieuwe wereldhandelsronde in Seattle mislukte, lag niet aan de chaos die de tegenstanders van de mondialisering aanrichtten. De echte rebellie was niet op straat te zien, maar speelde zich af in de hotelkamers en in het conferentiecentrum. De ontwikkelingslanden waren in de handelsbesprekingen nooit heel ernstig genomen: ze waren te talrijk, te versnipperd en te zeer afhankelijk van hun afzet op de markten van de dominerende spelers. Nu de WTO hen gelijke rechten had gegeven, lieten ze voor het eerst hun macht voelen. Er zijn nu volop voorbereidingen aan de gang voor een nieuwe poging om de ,,millenniumronde'' van de grond te krijgen. Haar herdopen in ,,Development Round'' zal op zichzelf niet volstaan om New Delhi, Brasilia en andere hoofdsteden mee aan de tafel te krijgen: ze moeten er hun prioriteiten in terugvinden, nu de resultaten van de Uruguay-ronde te weinig evenwichtig zijn gebleken. En ze willen harde bewijzen dat ook zij uit een geïntegreerde wereldeconomie voordeel zullen halen.