BRUSSEL -- Het armoedeprobleem in de wereld is nog veel erger dan traditionele maatstaven van de kwaliteit van het leven zoals het bruto binnenlands product (bbp) per inwoner en de menselijke ontwikkelingsindex van de VN aangeven. In de afgelopen dertig jaar is vermoedelijk een derde van de wereldbevolking armer geworden.

De voormalige voorzitter van de Royal Economic Society, prof. Partha Dasgupta van de universiteit van Cambridge, baseert die deprimerende conclusie op de evolutie van de productieve basis -- fysiek, menselijk en natuurlijk kapitaal -- van de landen, die het fundament van hun rijkdom uitmaakt. Hij brengt daarover binnenkort een boek uit, Human Well-Being and the Natural Environment. Gisteren lichtte hij in een toespraak in Londen de hoofdideeën toe.

De evolutie van het bruto binnenlands product per inwoner en van de Human Development Index van de Verenigde Naties geeft aan dat een groot deel van de ontwikkelingswereld er in de afgelopen drie decennia op is vooruitgegaan.

Maar die maatstaven houden volgens Dasgupta geen rekening met wat werkelijk doorslaggevend is voor de vooruitzichten van een samenleving, namelijk haar productieve basis van instellingen en activa, met inbegrip van de natuurlijke hulpbronnen. Zeker in sub-Sahara Afrika, maar ook op het Indische subcontinent, is die productieve basis verhoudingsgewijs tegenover de omvang van de bevolking achteruitgegaan.

In Pakistan bijvoorbeeld groeide het bbp per inwoner in de jaren 1965-1996 met gemiddeld 2,7 procent per jaar, wat over de hele periode op een verdubbeling van de levensstandaard neerkomt. De ruime maatstaf van rijkdom per inwoner die Dasgupta hanteert, wijst echter op nagenoeg een halvering van de levensstandaard van de gemiddelde Pakistani.

In sub-Sahara Afrika is de toestand nog veel erger. De problemen van het continent zijn overbekend, maar zelden worden ze voorgesteld in termen van achteruitgang van de productieve basis. Zo gemeten is de levensstandaard er in twintig jaar gehalveerd, en het zal vele jaren vergen om het vroegere peil opnieuw te bereiken -- als dat ooit al gebeurt.

In China, dat zo'n sterke groei kent en waar de armoede volgens de statistieken zo is teruggedrongen, zou de rijkdom volgens deze maatstaf slechts iets sneller zijn aangegroeid dan het bevolkingscijfer.

De kern van Dasgupta's analyse is de idee van duurzame ontwikkeling, die in het taalgebruik is ingeburgerd sinds de publicatie van het Brundtland-rapport.

Het gaat volgens dat rapport om ,,ontwikkeling die de behoeften van de huidige generaties dekt zonder het de toekomstige generaties moeilijker te maken om hun eigen behoeften te dekken''. Elke generatie zou dus -- in verhouding tot het bevolkingscijfer -- een ten minste even ruime productieve basis moeten nalaten als ze zelf erft.

De productieve basis van een economie bestaat niet alleen uit de fysieke kapitaalvoorraad (de tot stand gebrachte stock aan investeringen), maar ook uit het menselijke en het natuurlijke kapitaal, de instellingen en de ,,culturele coördinaten''. Samen bepalen ze de productie, de distributie en het gebruik van goederen en diensten. De productieve basis van een samenleving is de bron van haar welzijn.

Dasgupta leidt uit zijn bevindingen met betrekking tot Afrika, het Indische subcontinent en China af dat de arme landen boven hun middelen hebben geleefd (aangezien ze armer zijn geworden), terwijl de rijke landen niet ,,genoeg'' hebben geconsumeerd (ze zijn rijker geworden).

En het mysterie wordt nog groter. Als gevolg van een ontoereikend stelsel van eigendomsrechten wordt natuurlijk kapitaal in de markt doorgaans te laag geprijsd: men kan in vele opzichten de natuur schaden zonder daar te moeten voor betalen.

Landen (vaak de armste) die producten exporteren die op natuurlijke hulpbronnen gebaseerd zijn, zouden dus heel goed de consumptie kunnen subsidiëren van landen (vaak de rijkste) die deze producten importeren.

Die subsidies zijn aan het blote oog onttrokken. Ze worden niet gefinancierd door algemene belastingheffing, maar worden impliciet betaald door sommige van de armste groepen in de samenleving, zoals de vissers en de boeren die op overlevingslandbouw aangewezen zijn.

De wrede paradox, aldus Dasgupta, zou wel eens kunnen zijn dat de hedendaagse economische ontwikkeling onhoudbaar (,,unsustainable'') is in de arme landen omdat ze houdbaar (,,sustainable'') is in de rijke landen.