De voorbije twee weken brachten we een reeks portretten van bekende Belgische merken en producten, die nog steeds hoofdzakelijk in Belgische familiale handen zijn. Maar wat is er gebeurd met al die anderen? Wie produceert nu bijvoorbeeld de mayonaise en de -- nochtans nog altijd als Belgian gekwalificeerde -- pickles van Devos-Lemmens? Waar belandde Tiense Suiker? En wie mag zich eigenaar noemen van de ,,Belgische'' chocolademerken Côte d'Or, Jacques en Callebaut?

De lijst van bekende Belgische huis-, tuin- en keukennamen die in buitenlandse handen kwamen, is schier eindeloos. Zelfs als men enkel rekening houdt met de verkoop van bekende producenten van consumptieproducten. Maar de uitverkoop trof ook de Belgische diensten- en industriële sector, met namen als Wagons-Lits, Royale Belge, BBL, Petrofina, CBR, Tractebel, en, natuurlijk, de Generale Maatschappij.

Het kruim van het Belgisch industrieel weefsel werd meestal verpatst door de holdings, die zich ondanks een economisch minderheidsbelang toch opwierpen als referentie-aandeelhouder. Dat liet de holdings, of de financiers erachter, toe bij de verkoop een ,,controle-premie'' op te strijken. Veel middelgrote bedrijven werden dan weer rechtstreeks door de familiale aandeelhouders verkocht. Luierfabrikant Ontex en aluminiumgroep Remi Claeys Aluminium (RCA) zijn daar recente voorbeelden van.

Gebrek aan ambitie, opvolgingsproblemen, maar ook fiscale overwegingen zorgden ervoor dat heel wat Belgische bedrijven bij een consolidatiebeweging in de sector verkocht werden. Een verkoop is immers dé techniek bij uitstek om het opgebouwde vermogen, dat vastligt in het bedrijf, te verzilveren zonder belastingen te betalen. Wie zijn kmo verkoopt, doet dat immers belastingvrij.

Maar welke ook de motieven waren, feit is dat de voorbije decennia heel wat Belgische kroonjuwelen in buitenlandse handen kwamen. We beperken ons hier tot een greep van bekende Belgische consumptie-producten.

  • Dit verhaal moet uiteraard beginnen met hét Belgische product bij uitstek: chocolade. Belgen en Zwitsers hebben elkaar altijd al de dominantie over de chocolademarkt betwist. De laatsten waren in de jaren '80 alvast aan de winnende hand. Zo kwam het familiebedrijf Callebaut uit Wieze in 1981 in handen van het Zwitserse Jacobs Suchard. Amper zes jaar later werd ook de Belgische chocoladetrots Côte d'Or verkocht aan de Zwitserse groep, wat in patriottische en koninklijke kringen heel wat verontwaardiging uitlokte.
  • In elk geval bleven Côte d'Or en Callebaut niet lang zusterbedrijven. In 1990 werd Suchard zelf opgeslokt door de Amerikaanse tabaks- en voedingsreus Philip Morris (die zichzelf onlangs omdoopte tot Altria). Côte d'Or werd in 1993 ondergebracht in de voedingsdivisie Kraft Jacobs Suchard, die onder andere ook de zuivelproducten van Kraft en de oer-Zwitserse chocolade van Toblerone bevat.

    Callebaut, dat voornamelijk industriële chocolade maakte en als consumentenmerk vooral in België bekend is, bleef buiten de overname door de Amerikanen. De Zwitserse eigenaar Klaus Jakobs fuseerde het bedrijf in 1997 met de Franse cacaogroep Barry en bracht het geheel, onder de naam Barry Callebaut, naar de beurs van Zürich. Jacobs controleert nog altijd 70 procent van het bedrijf.

    Barry Callebaut is sinds vorig jaar ook de eigenaar van Jacques , een Belgisch chocolademerk dat vooral bekendheid geniet bij een ouder publiek. De chocolaterie Jacques ontstond in 1896 in Verviers. In 1922 werd de productie overgeheveld naar Eupen. Zestig jaar later werd de chocolademaker eigendom van het Duitse Stollwerck, dat vorig jaar werd opgeslokt door Barry Callebaut.

    Belgisch of Zwitsers, het is soms maar hoe je het bekijkt. Zo stammen zowel Côte d'Or als de Vlezenbeekse pralinefabrikant Neuhaus uit de Zwitserse familie Neuhaus, waarvan twee broers zich midden vorige eeuw in Brussel vestigden. Jean Neuhaus was eigenlijk een apotheker die snoepjes verkocht waaruit later de Neuhaus-pralines zouden groeien. Zijn broer Charles deponeerde in 1883 dan weer de merknaam ,,Chocolat de la Côte d'Or''. Het beroemde olifantenlogootje dateert van rond de eeuwwisseling.

    Neuhaus is tot vandaag wel Belgisch gebleven. In 1978 kwam het bedrijf in bezit van de broers Jean-Jacques en Claude Poncelet, eigenaars van de chocoladefabrieken Mondose en Verhaeren. Mondose is ook vandaag nog een merk van de Neuhaus-groep. In 1987 werd Tiense Suiker, zelf een onderdeel van de familiale voedingsholding Artal, de nieuwe eigenaar. Artal bracht het bedrijf in 1997 naar de Brusselse beurs. Sindsdien verwierf de holding Bois Sauvage van de Waalse financier Guy Paquot een controlebelang in Neuhaus van meer dan 45 %.

    Godiva is wereldwijd een van de bekendste fabrikanten van Belgian chocolates , zoals onze pralines in het buitenland genoemd worden. Maar Belgisch is Godiva al lang niet meer. De maker van luxepralines kwam in 1966 voor een derde en in 1974 volledig in handen van het Amerikaanse Campbell (zie ook verder) .

    Naast Leonidas en Neuhaus zijn nog verschillende chocolade- en pralinefabrikanten in ons land verankerd. Een van de grootste en minst bekende is Belcolade uit Erembodegem, een fabrikant van dekchocolade die onder meer door patissiers wordt gebruikt. Belcolade werd in 1988 -- gedeeltelijk als antwoord op de uitverkoop van de Belgische chocoladebedrijven -- opgericht met de financiële steun van de familiale voedingsgroep Puratos. Een bekend lokaal merk is GuyLian , dat chocolade maakt in de vorm van zeevruchten en zeepaardjes. De naam Guylian is een samentrekking van de voornamen van het echtpaar Guy en Liliane Foubert, die het bedrijf nog altijd controleren.

  • Om nog even bij echt nationale productcategorieën te blijven: ook in de biermarkt sloegen buitenlanders hun slag. Grand Metropolitan kocht in 1969 de brouwerij Maes maar in juni 1986 kocht Theo Maes met de steun van de holding Ackermans & van Haaren de brouwer terug. In 1988 fuseerde Maes met Alken-Kronenbourg België, de Belgische bierbelangen van de Franse groep Danone. In 1992 verwierf Danone Alken-Maes volledig. Drie jaar geleden kwam Alken-Maes via de overname van Kronenbourg in handen van het Britse Scottish & Newcastle. Ook het Belgische Interbrew had een bod gedaan op Kronenbourg, maar werd overtroefd door de Britten.
  • Een operatie waarbij ook heel wat merken die in elke Belgische keuken te vinden waren, in buitenlandse handen kwamen, was de verkoop van Continental Foods aan het Amerikaanse Campbell Soup in 1986. Continental Foods was in 1967 ontstaan uit de fusie tussen het puddingbedrijf Imperial Products met Devos-Lemmens .
  • Imperial Products werd opgericht in 1903 door John Collin. Devos-Lemmens bestond al van 1886, toen Henri Devos en Elisabeth Lemmens augurken op azijn begonnen te produceren. Met de verkoop van Continental Foods aan Campbell kwamen niet alleen de pudding en aanverwante producten van Imperal en de sauzen van Devos-Lemmens in Amerikaanse handen. Ook de in België alom bekende azijn van De Blauwe Hand verhuisde mee, net als de dessertsauzen van Topping , de snoepjes van Lutti en de havermout van de Drie Molekens .

    Campbell Foods stootte later een aantal van die merken weer af. Zo kwam Delacre -- na de bewogen sluiting van de Vilvoordse fabriek in 1992 -- in 1998 in handen van het Britse United Biscuits. Lamy-Lutti zit nu onder de vleugels van het Nederlandse CSM.

  • Tiense Suiker is al sinds 1989 eigendom van het Duitse Südzucker. De marktleider op de Belgische suikermarkt was pas twee jaar eerder via een kapitaalsverhoging door zijn hoofdaandeelhouder, RT Holding Nederland van de families Ullens de Schooten en Wittouck, naar de beurs gebracht.
  • Tiense omvatte ten tijde van de verkoop ook een reeks niet-suikerbelangen in de voedingssector, onder andere de Belgische pralinefabrikant Neuhaus. RT Holding kocht die andere deelnemingen terug van Südzucker, en bracht ze naar de beurs via de holding Beledia. Ook Beledia was echter een kort openbaar leven beschoren. De inmiddels tot Artal omgedoopte RT Holding kocht Beledia terug op.

    De jongste jaren kwam de Luxemburgse holding Artal vooral nog in het nieuws door de overname -- en daarna de beursintroductie -- van het Amerikaanse Weight Watchers. De families achter Artal huldigen het motto pour vivre heureux, vivons cachés . Over welke belangen ze juist controleren, is dus weinig geweten. Vast staat alleszins dat ze, in alle stilte, tot de rijkste families van ons land behoren.

  • Een schok ging door de Belgische zuivelindustrie toen de familie Donck in 1991 de groep Comelco verkocht aan de Nederlandse zuivelcoöperatie Campina (Melkunie). Comelco was toen het grootste privé-zuivelbedrijf van België. Sinds oktober 1996 ging Comelco door het leven als Campina. De Campina-portefeuille omvatte in België merknamen als Stassano, Stabilac, Yazoo en Joyvalle voor de zuivelproducten en Passendale voor de kaas.
  • Ook van de koekjesbakkers verhuisden er ettelijke naar het buitenland. Delacre was al van in de jaren zestig eigendom van (alweer) Campbell Soup, maar werd in 1998 doorverkocht aan het Britse United Biscuits. Parein-De Beukelaar -- op zich het product van een ,,Belgische'' fusie -- heet nu Lu General Biscuits, en is in handen van het Franse Danone.
  • In enkele gevallen leidde de verkoop aan een buitenlandse groep zelfs uiteindelijk tot de verdwijning van het Belgische merk. Het bekendste voorbeeld zijn allicht de conserven van Marie Thumas -- genoemd naar de vrouw van Edmond Thumas, die in 1886 de eerste Belgische conservenfabriek bouwde in Wilsele. Marie Thumas werd in 1980 overgenomen door het Franse Bonduelle, dat eigenlijk nooit veel aandacht en middelen heeft gegeven aan het Belgische merk. Begin deze eeuw verdween de ouwe, trouwe Marie dan ook geleidelijk aan maar definitief van de Belgische winkelrekken.
  • Het waren echter niet enkel voedingsproducten die verhuisden naar het buitenland.

  • Zo ontsnapte bijvoorbeeld de Belgische tabakssector niet aan de om zich heen grijpende globalisering van de voorbije decennia. Belga, Bastos, Groene Michel , allemaal kwamen ze terecht bij grote multinationals. Belga, oorspronkelijk van de familie Vander Elst, ging eerst al via een Belgische fusie op in Tabacofina. Tabacofina-Vander Elst produceerde naast Belga ook Richmond, Johnson en de Mercator-sigaren. Tabacofina kwam in 1972 in handen van de Britse groep Rothmans (Rothmans, Peter Stuyvesant....), die eind vorige eeuw op haar beurt opging in British American Tobacco.
  • Bastos, geproduceerd door Cinta (voluit de Compagnie Indépendante du Tabac), kwam dan weer terecht bij de Duitse groep Reemtsma (inmiddels overgenomen door Imperial Tobacco) en het Franse Seita (dat inmiddels met het Spaanse Tabacalera gefusioneerd is tot Altadis).

    De nv Gosset uit Molenbeek, producent van de Groene Michel, werd in 1982 verkocht aan het Amerikaanse R.J. Reynolds. De laatste Belgische eigenaar, Roger Gosset, kwam posthuum nog in het nieuws door verwikkelingen rond zijn erfenis in het kader van de zaak KB Lux.

    In de sector van de rookwaren kwamen ook de sigarettenvloeitjes van Rizla+ terecht in buitenlandse handen. Rizla+ -- de naam is eigenlijk en afkorting voor Riz Lacroix, naar de Franse uitvinder van het ,,rijstpapier'' -- werd in 1994 door de Belgische familie Painblanc verkocht aan de investeringsmaatschappij van de Zwitserse bank UBS. Die verkocht de vloeitjesproducent drie jaar later door aan Imperial Tobacco.

  • De Witte Lietaer viel in 1990 in handen van de Nederlandse textielholding Gamma Holding. De familiale aandeelhouders, die 55 procent van de aandelen hadden (de rest noteerde op de beurs), kozen op die manier eieren voor hun geld. DWL, in 1898 gesticht door Zeno De Witte en Leonie Lietaer, was bij de overname Europees marktleider in hoogwaardig huishoudlinnen en was gespecialiseerd in geweven en gebreide stoffen voor de auto-industrie, waarin het een Europees marktaandeel van ongeveer zes procent had en tot de tien groten behoorde. De familiale aandeelhouders waren echter vooral geïnteresseerd in hun dividend en hadden niet de ambitie om het bedrijf de middelen te geven verder Europees door te groeien.
  • En omdat we het in deze reeks de afgelopen weken met het verhaal over Fritel toch ook over friteuses hadden: wat is er eigenlijk gebeurd met de friteuses en de wafelijzers van Nova?
  • De Limburgse producent van huishoudelektro ging begin 1997 failliet. Er werkten toen 420 mensen. Het faillissement zorgde voor grote sociale deining in en rond Tongeren, maar een verrassing was het niet. Het bedrijf ging over de kop na jaren van aanhoudende verliezen. De curatoren besloten het bedrijf open te houden om de overnamekansen gaaf te houden. Eind april 1997 viel definitief het doek.

    Nadien bleek er vooral interesse voor de matrijzen voor de wafelijzers, de mixers en de friteuses, en de merknaam. Eind 1997 kocht de Nederlandse zakenman Aad Ouburg de merknaam en enkele matrijzen voor de productie van twee friteuses. Oudburg is de eigenaar van Princess, een andere merknaam voor kleine huishoudelijke toestellen.

    De rest van de matrijzen van de Nova-toestellen was toen al door de curatoren verkocht aan verschillende bedrijven. Oudburg slaagde er nog wel in om een deal te maken met een eigenaar die ook enkele matrijzen voor onder meer de aanmaak van wafelijzers had gekocht.

    Begin 1998 herlanceerde Oudburg de Nova-lijn. Het ging om een friteuse en een wafelijzer. De productie van de Nova-toestellen gebeurt in het Verre Oosten. De enige Belgische link vandaag is een verkoopkantoor in Rillaar. Een groot deel van de matrijzen was echter opgekocht door een bedrijf uit Hong Kong. Via invoerder Linea werden eind 1997 ook een reeks Nova-toestellen opnieuw gelanceerd, maar dan onder de merknaam Domo.