BRUSSEL -- Er zijn een aantal weinig geruststellende gelijkenissen vast te stellen tussen de ontwikkelingen in Japan tijdens de tweede helft van de jaren tachtig en die in de Verenigde Staten in de afgelopen vijf jaar. Maar er zijn ook verschillen.

De vergelijking is interessant omdat Japan na een euforie zonder voorgaande terechtkwam in een langdurige periode van deflatie waarvan het einde tien jaar later nog niet in zicht is. De vraag rijst of Amerika voor een gelijkaardige evolutie zou kunnen staan nu ook daar de speculatieve zeepbel -- in dit geval voornamelijk rond de technologie-aandelen -- is leeggelopen en aan een uitzonderlijke bloeiperiode voorlopig een einde is gekomen.

De Bank voor Internationale Betalingen analyseert in haar jaarverslag de gelijkenissen en verschillen. In beide landen lag de groei van het bruto binnenlands product tijdens de bestudeerde perioden beduidend hoger dan tijdens de voorgaande vijf jaar. De toename van de arbeidsproductiviteit en het tempo van de technologische vooruitgang versnelden. Beide economieën investeerden ook intens in machines en uitrusting, wat tot de productiviteitsverbetering bijdroeg.

In de twee gevallen kon de investeringsboom worden toegeschreven aan de verwachte winststijging en aan de lage kapitaalkosten. De reële langetermijnrente bleef stabiel of daalde tijdens de expansie, en de sterke oplopende koers/winstverhoudingen op de beurs maakten kapitaal uiterst goedkoop. In Japan bedroegen de aandelenkoersen in de periode 1986-90 gemiddeld 69,5 keer de winst per aandeel van de betrokken ondernemingen, tegen 35,2 keer in de voorgaande vijf jaar. In de Verenigde Staten liep de gemiddelde K/W-verhouding op van 17,5 tot 32,4.

Gedurende de periode van snelle productiegroei koelde de inflatie in beide landen af doordat de snelle productiviteitsstijging en de koersstijging van de nationale munt de productiekosten in toom hielpen houden. Beide landen zagen hun overheidsfinanciën verbeteren en het sparen van de particulieren verminderen.

Wat zijn dan de verschillen? In enkele gevallen gaat het slechts om verschillen in gradatie of intensiteit. De geldomloop liep wat sneller op in Japan dan in de VS, en die bijkomende liquiditeit duwde de grondprijzen en de aandelenkoersen er ook sterker de hoogte in. De Japanse ondernemingen staken zich nog dieper in de schulden dan de Amerikaanse. De Japanse banken richtten hun kredietverlening vooral op onroerend goed, terwijl die van de Amerikaanse banken voornamelijk naar de producenten van goederen en diensten ging.

Een fundamenteel verschil tussen beide economieën betreft ten slotte hun externe rekening. Japan zag in 1986-90 het overschot op de lopende rekening van zijn betalingsbalans verder oplopen en exporteerde bijgevolg meer kapitaal dan ooit tevoren (het ene is de mathematische keerzijde van het andere). In de Verenigde Staten liep het tekort op de lopende rekening stelselmatig verder op en kwam nog meer - onontbeerlijk - buitenlands kapitaal aangestroomd.

De aanzienlijke daling van de Japanse investeringen tijdens de jaren 1991-95 toonde aan dat de daaraan voorafgaande investeringsboom te ver was gegaan en dat de neerwaartse correctie van een kapitaalstock met een betrekkelijk lange levensduur zeer lang kan duren en uiterst pijnlijk kan zijn.

In de Verenigde Staten daarentegen werden vooral de investeringen in hoogtechnologische uitrusting met een betrekkelijk korte economische levensduur sterk opgevoerd. Excessen kunnen daar dus sneller worden goedgemaakt - wat niet belet dat schuldeisers en beleggers er heel veel geld kunnen bij inschieten.