LEUVEN -- De arbeidsmarkt is te vergelijken met de eigenaar van een wijngaard, die 's morgens naar de werkbeurs trok om arbeiders te werven. Op het zesde en negende uur ging hij terug en huurde hij telkens alle werkzoekenden voor die dag in. Hetzelfde deed hij op het elfde uur, één uur voor sluitingstijd. Bij de uitbetaling bleek tot ieders verstomming dat de wijngaardenier alle werkers een zilverstuk uitbetaalde.

Met die vrije vertaling naar het evangelie van Mattheus, hoofdstuk 20, begint Ides Nicaise, projectleider bij het Hoger Instituut voor de Arbeid (Hiva), zijn studie over de beleidsaanpak van sociale uitsluiting binnen het concept van de actieve welvaartsstaat.

Nicaise onderzoekt in zijn boek ,,hoe de westerse landen hun stelsels van sociale bescherming en arbeidsmarktbeleid integreren in een nieuw sociaal contract''. Volgens de Hiva-vorser ,,loopt het pad naar sociale (her)integratie méér via deelname aan het arbeidsproces dan via loutere inkomensherverdeling door uitkeringen.''

Nicaise vraagt zich af of ,,de actieve welvaartsstaat de meest achtergestelde groepen op de arbeidsmarkt -- langdurig werklozen, bijstandstrekkers, alleenstaande ouders en andere randgroepen -- de hand reikt, ofwel nog meer uitsluit.'' Hij noemt die achtergestelden de ,,werkers van het elfde uur''.

De studie benadrukt dat niet alleen de paars-groene regeringen in België met het concept van de actieve welvaartsstaat zwaaien. In heel West-Europa en Noord-Amerika verschuift de nadruk in het beleid van vervangingsinkomens (bij werkloosheid) naar preventie of herstel van werkloosheid (actief arbeidsmarktbeleid), waarbij het recht op een uitkering wordt gekoppeld aan deelname aan een integratieproject.

Twee grote benaderingen staan daarbij voorop: de wortel en de zweep. De workfare -benadering gebruikt de zweep. Ze gaat ervan uit dat de sociale uitkeringen een afhankelijkheidscultuur in de hand werken, dat ,,het bestaan en toekennen van uitkeringen een gedrag doet ontstaan dat gericht is op het verkrijgen ervan''. Een workfare -beleid beperkt de rechten op sociale uitkeringen en steunt zwaar op tewerkstellingsprogramma's. Dat kan gaan tot een heuse arbeidsplicht in ruil voor een uitkering, zoals in de Amerikaanse staat Mississippi, maar ook in Noorwegen.

Het integratiemodel gebruikt een wortel. Het stelt dat de sociale zekerheid niet volstaat om uitsluiting tegen te gaan en legt de oplossing bij het recht op opleiding en arbeidsintegratie. Dat beleid is vooral sterk in Denemarken.

Het Amerikaanse zweepmodel stelt één zaak voorop: zo snel mogelijk de betrokkenen doen werken, ,,om het even welk werk''. Het integratie- of wortelmodel hecht meer belang aan maatwerk.

Financiële prikkels komen in werkelijkheid in beide stelsels voor, zowel positief als negatief. Werklozen kunnen door fiscale maatregelen, zoals het belastingkrediet, overgehaald worden om laagbetaalde jobs te aanvaarden. Bovendien betalen tewerkstellingsprojecten geen echt loon maar een vergoeding, zodat de overstap naar een echte baan met een echt loon aantrekkelijk blijft. Deze aanpak staat in ons land vooral bekend als de strijd tegen de werkloosheids- en armoedevallen.

Anderzijds worden financiële sancties uitgesproken ,,tegen al wie afwijkt van het gewenste gedrag'' (= gaan werken); het gaat in regel om een tijdelijke of definitieve schorsing van uitkering.

De effecten zijn in beide modellen sprekend. In de Verenigde Staten daalde het aantal bijstandstrekkers tussen 1993 en 1999 met meer dan de helft. In Denemarken en het Verenigd Koninkrijk daalde de jeugdwerkloosheid met meer dan 70 procent. Met dank aan de goede economische conjunctuur, merkt Ides Nicaise op.

Bovendien wint de overheid haar investeringen snel terug: minder uitkeringen, meer fiscale en sociale inkomsten. In Denemarken zijn de terugwinningseffecten jaarlijks groter dan de uitgaven voor een actief arbeidsmarktbeleid.

Maar aan alles is er een keerzijde. Nicaise toont aan dat de Amerikaanse aanpak ,,de doelgroep niet uit de armoede haalt''. De arbeidsinkomens zijn er laag en precair, de arbeidsvoorwaarden zijn zwaar en van opleiding is geen sprake. Met als resultaat dat een op de vier na een tijdje opnieuw in de bijstand terechtkomt. In de Amerikaanse staat Wisconsin blijft drie vierde van de ,,gedwongen'' werknemers onder de armoedegrens leven.

Ook in België daalt de werkloosheid bij laaggeschoolden en daalt het aantal gerechtigden op het bestaansminimum. Maar volgens Nicaise ,,ziet het er naar uit'' dat het paars-groene beleid een evenwicht heeft gevonden tussen het recht op arbeid en het recht op een menswaardig minimuminkomen. Alleszins in theorie. In woorden is paars-groen gewonnen voor de wortelaanpak, het integratiemodel. De werkelijkheid is genuanceerder; ook de zweepaanpak wordt gehanteerd. In het eerste deel van haar regeerperiode weigerde de regering het bestaansminimum en de lage uitkeringen op te trekken, ofschoon dat nodig was. Pas na sociaal protest komt er vermoedelijk een optrekking ervan, zegt Nicaise.

Hij noemt de uitbouw in Vlaanderen van afdwingbare rechten op opleiding, begeleiding en werkervaring -- naar het voorbeeld van Denemarken -- positief. Maar het beleid vertoont nog leemten. Zo is er te weinig coördinatie tussen de Vlaamse en federale plannen, en is er -- getuige het Rosetta-plan -- weliswaar veel aandacht voor jonge werkzoekenden, maar veel minder voor + 25-jarigen.

Een te grote nadruk op een preventief werkloosheidsbeleid houdt ook gevaren in, besluit Nicaise. ,,Tegenover het voordeel dat werkzoekenden sneller dan voorheen worden geholpen, bestaat de kans dat heel wat mensen gesteund worden die het zonder overheidshulp ook gered zouden hebben, en dat er dus middelen verspild worden. En dat de bestaande groep langdurig werklozen misschien aan hun lot worden overgelaten.''

  • Ides Nicaise, De actieve welvaartsstaat en de werkers van het elfde uur. , Hiva-Leuven en Standaard Uitgeverij Antwerpen, 96 blz., 385 fr.