BRUSSEL -- De manier waarop over de ontwikkeling wordt gedacht is even veranderlijk als de successen en tegenslagen van het ontwikkelingsproces zelf. Ze is nu, zoveel modegolven later, niet zelden tegengesteld aan de overtuigingen van een halve eeuw geleden.
Economische ontwikkeling is in essentie een proces van flexibele herstructurering en het aanvatten van activiteiten met hogere toegevoegde waarde. De beleidsmensen ontsnappen daarbij niet aan enkele fundamentele keuzen: staat versus markt, inwaarts versus uitwaarts georiënteerde strategieën, en groei via investeringen versus groei via export.
Het intellectuele klimaat van de vroege naoorlogse periode, toen het ontwikkelingsdenken samen met de eerste dekoloniseringsgolf aan zijn grote opgang begon, neigde naar door de staat geplande, op zichzelf teruggeplooide en door investeringen aangedreven strategieën. Als de jonge landen niet aan een evenwichtige groei toekwamen, werd dat toegeschreven aan de beperkingen die door de internationale omgeving werden opgelegd.
Sindsdien is de slinger naar de andere kant overgeslagen: vandaag domineert de markt. De grootste successen zijn veelal geboekt door landen die zich maximaal in de internationale arbeidsverdeling inschakelden. Landen die zich veilig omheinden, hebben schoorvoetend van de andere geleerd. Ondermaatse prestaties worden niet langer verklaard door ongunstige externe omstandigheden, maar door binnenlandse beleidstekortkomingen.
Louis Baeck heeft over de ,,saga van het ontwikkelingsdenken'', zoals hij haar noemt, een indrukwekkend boek geschreven dat internationaal als referentiewerk kan gelden. Hij brengt op een gebalde manier economie, sociologie en politieke wetenschap bijeen in één globale benadering, verruimt de horizon tot de ethiek, de cultuur en de religie en ontleedt de interactie tussen de reële wereld en de verschuiving van de denkbeelden: emancipatie, natievorming, modernisering, industrialisering, democratisering en nu mondialisering.
Zijn interesse voor de problemen van economische ontwikkeling en sociaal-culturele dynamiek werd gewekt toen hij in het begin van de jaren vijftig een zomercursus volgde aan de universiteit van Guadalajara (Mexico). Daarna verbleef hij zeven jaar in Rwanda, Burundi en Congo, waar hij veldwerk deed in combinatie met een leeropdracht aan de universiteit van Lovanium. Na de Congolese onafhankelijkheid werd hij directeur van het Centrum voor Ontwikkelingsplanning aan de KU Leuven. Hij was ook visiting professor aan verscheidene Afrikaanse, Latijns-Amerikaanse en Aziatische universiteiten.
In zijn boek, waarvan de titel nodeloos afschrikt, beschrijft hij hoe de geopolitieke transformatie in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, de botsende ideologieën van de twee supermachten en de dekolonisering in enkele jaren een nieuwe traditie van ontwikkelingsstudies deden ontstaan. Het marktmechanisme stond niet hoog aangeschreven na de verwoestingen die de Depressie van de jaren dertig had aangericht. Het zou aan de overheid zijn om de economische en sociale ontwikkeling te sturen.
Maar de meeste sociale wetenschappers waren niet vertrouwd met de concrete situatie van de nieuwe naties -- ,,leunstoel-theoretici'' noemt Baeck ze -- en schreven het historische traject van het Westen als model voor. De sociologen poetsten de klassieke moderniseringstheorieën op; de economen opteerden voor keynesiaanse groeimodellen in tropenpak.
De jonge landen konden zich de moeite besparen hun eigen ontwikkelingsmodel uit te werken, aangezien het historische voorbeeld al voorhanden was. Het basispatroon voor de laatkomers was, zo werd aangenomen, hetzelfde als dat van de westerse voorlopers. Twee grote landen, China en India, verkozen echter een eigen weg in te slaan. Bekende leiders zoals Soekarno, Nehru, Nasser en Nkrumah, verkondigden in 1955 op de conferentie van Bandung dat hun landen een derde wereld vormden, die het kapitalisme van de eerste noch het communisme van de tweede wereld als model kon aanvaarden.
Tot in de jaren zestig werd een overvloed aan ontwikkelingstheorieën geproduceerd. Maar stilaan brachten de aanhangers van de ,,dependencia''-theorieën en die van de neo-marxistische school een intellectuele contrarevolutie op gang, die op de loskoppeling van het kapitalisme aanstuurde. Een van de productiefste auteurs over de dependencia was Fernando Cardoso, de huidige president van Brazilië, in wiens beleid nog weinig van zijn vroegere overtuigingen terug te vinden zijn.
Tegen het midden van de jaren zeventig was de internationale context grondig veranderd. De groei in de westerse landen was vertraagd en de inflatie liep op. Onder impuls van de multinationale ondernemingen kwam een nieuw groeimodel tot stand, met delokalisering van industriële activiteiten naar de meest belovende landen van de periferie. Een groep jonge industrielanden -- de NIC's -- brak met de conventionele arbeidsverdeling tussen producenten van grondstoffen en industriële economieën.
De eerste cultuurbom explodeerde in Iran, waar de sjah een megalomane koers van verwestering had gevolgd. Tegen het proces van mondialisering, gericht op uniformisering en convergentie van levensstijlen, kwam een tegenbeweging van beklemtoning van de eigen identiteit op gang. In de afgelopen twee decennia is dit een wereldwijd proces geworden, waarvan de dynamiek niet kon worden gereduceerd tot een vorm van culturele weerstand tegen verwestersing. Na de ineenstorting van het laatste koloniale imperium, de Sovjet-Unie, brak de sluimerende etno-culturele storm los. Het Westen heeft echter nog niet geleerd de cultureel ,,anderen'' te begrijpen en te respecteren. In Baecks ogen is de door westerse ontwikkelingseconomen en beleidsmensen geproclameerde idee van universaliteit een van de belangrijkste redenen voor het beperkte succes van de ontwikkeling in deze multiculturele wereld tijdens de afgelopen halve eeuw.
  • Louis Baeck: Text and context in the thematisation on postwar development. Leuven University Press, 151 blz.