ANTWERPEN -- Na twee jaar van -- vaak moeizame -- onderhandelingen en voorbereidingen gaat vandaag de alliantie van start tussen het Vlaams Economisch Verbond (VEV) en de negen Vlaamse Kamers van Koophandel. Hun netwerk van Vlaamse ondernemingen, Voka geheten, moet de 17.000 aangesloten leden-bedrijven een betere dienstverlening en belangenverdediging opleveren. Maar Voka is allicht niet de laatste stap in de hertekening van het werkgeverslandschap in Vlaanderen.
De samenwerking tussen het VEV en de Kamers werd in februari 2002 voor het eerst aangekondigd, straks bijna twee jaar geleden. Toen hadden beide organisaties er al maanden van aftastende gesprekken opzitten.

De uitwerking van de intentieverklaring in concrete werkafspraken, door de toenmalige voorzitters Jef Roos en Paul Kumpen, nam daarna meer tijd in beslag dan gedacht. De cultuurverschillen overstijgen en ,,juiste'' machtsevenwichten vinden in de nieuwe beslissingsorganen bleek niet altijd even eenvoudig.

Dat hadden de betrokkenen nochtans kunnen weten. In het boek Van Gevaert tot welvaart , naar aanleiding van de viering van 75

jaar VEV in het jaar 2002, beschrijft Peter Cuypers hoe de opeenvolgende VEV-voorzitters vergeefse pogingen hebben gedaan om van de Kamers van Koophandel gewestelijke VEV-afdelingen te maken.

Het begon al in de jaren twintig van de vorige eeuw, met de stichter Lieven Gevaert, die van zijn werkgeversorganisatie een Vlaamse spreekbuis wou maken, met overal lokale afdelingen, en geen louter Antwerpse aangelegenheid.

Pas vele generaties later is die oude droom -- lokale antennes voor het VEV in heel Vlaanderen -- uitgekomen. Toch is van een echte fusie met de Kamers geen sprake. De twee samenstellende delen van Voka houden niet op te bestaan.

Het is wel de bedoeling dat ze elkaars ,,complementaire sterktes'' overnemen, in een ,,functionele integratie''.

Lees: het relatief kleine VEV met veertig stafmedewerkers heeft geen lokale kantoren; dankzij de Kamers voortaan wel. En de negen Kamers, met zo'n tweehonderd medewerkers, krijgen dankzij het VEV een uitgebreide studiedienst en aanwezigheid op het politieke en sociaal-economische overleg in ,,Brussel''.

De dagelijkse leiding van de alliantie ligt in handen van de VEV-bestuurder Philippe Muyters. De huidige VEV-voorzitter, Ludo Verhoeven, is de primus inter pares op de bestuursvergaderingen.

Philippe Muyters heeft altijd benadrukt dat er ,,geen bijkomende organisatie zou bijkomen'' in het al druk bezette werkgeverslandschap in Vlaanderen. Want dat zou extra lidmaatschapsgeld betekenen, en dat zien de bedrijven -- terecht -- niet zitten. Voka-leden betalen slechts één keer lidgeld en krijgen er het gecombineerde servicepakket van het VEV en de Kamers voor in ruil.

Ligt hiermee het speelveld voor de werkgeversfederaties in Vlaanderen definitief vast? Helemaal niet, geeft bijvoorbeeld Johann Leten van de Limburgse handelskamer volmondig toe.

,,Het is noch voor de ondernemingen, noch voor de overheid makkelijk werken met een versnipperd werkgeverslandschap.'' Zelfs de Vlaamse minister-president, Bart Somers (VLD), heeft de Voka-operatie maar ,,een eerste stap'' genoemd.

Toch kan niemand met enige zekerheid voorspellen hoe de volgende consolidatiefase er zal uitzien. Krantenberichten van begin vorig jaar over de vorming van een groot Vlaams werkgeversfront, tussen Voka en de kmo-federatie Unizo, werden meteen ,,met klem'' ontkend.

Wel proberen de VEV- (straks Voka-) en Unizo-onderhandelaars zoveel als mogelijk op één lijn te zitten in gesprekken met hun ,,tegenstrevers'' (soms ook wel partners): de Vlaamse regering en de vakbonden. De vakbonden doen trouwens hetzelfde.

De positie van de christelijk geïnspireerde ondernemersorganisatie VKW is in dit verhaal onduidelijk. Het VKW is als organisatie te klein om te wegen op ,,nationale'' dossiers, maar geeft in sommige regio's onbeschroomd de toon aan bij de bepaling van het werkgeversstandpunt; in Limburg bijvoorbeeld.

Het succes van Voka zal ongetwijfeld van nabij gevolgd worden door de Industriebond Vlaanderen, de koepelorganisatie boven alle grote industriële sectorfederaties. Met Agoria als motor heeft Industriebond Vlaanderen in de afgelopen maanden hard -- en met succes -- aan een eigen profilering gewerkt. Captains of Industry als Thomas Leysen en Philippe Vlerick hebben openlijk de kar van de nieuwe industrievakbond voor werkgevers getrokken, bijvoorbeeld in het debat over de energie- en milieulasten op bedrijven. Deden ze dat tegen het VEV? Dat willen sommigen graag (doen) geloven. Maar de werkelijkheid is allicht genuanceerder. De sectoren die deel uitmaken van Industriebond Vlaanderen zijn met speciale convenanten verbonden met het VEV, en dus met Voka. Die convenanten werden in de afgelopen maanden ,,geactualiseerd''.

Wel zou het Industrieverbond binnen de Voka-structuur een eigen lobbygroep kunnen vormen, die greep wil krijgen op de besluitvorming binnen de grootste werkgeversorganisatie in Vlaanderen. Dat zou wel eens tot spanningen kunnen leiden met de dienstensectoren. En met de kmo's, die via de Kamers hun zeg willen doen.

Het Vlaamse VEV is altijd een ledenorganisatie geweest, geen verzameling van sectoren zoals het Belgische VBO. De leden -- de topmanagers of eigenaars van individuele bedrijven dus -- zijn er de baas. Dat blijft zo in de Voka-structuur. En dat kan op zijn beurt wegen op de relatie met de sectorfederaties.

Met Voka verkent het nu 76 jaar oude VEV nieuwe wegen. De verruimingsoperatie was een must. Representativiteit is onontbeerlijk voor elke organisatie die wil wegen op de politieke besluitvorming. Het moderne bedrijfsleven toont zich bovendien in vele vormen. Vandaar de ongewone stap om te gaan samenwerken met de ondernemingen in de seniorenzorg, zoals rusthuizen en dienstencentra. De zorgsector en de sociale economie zijn onontgonnen terrein voor Voka.