BRUSSEL -- De Vlaamse minister van Werkgelegenheid, Renaat Landuyt (SP.A), en de federale minister van Arbeid, Laurette Onkelinx (PS), zijn elkaar flink aan het tackelen over de immigratie van hooggeschoolde arbeidskrachten. De werkgevers supporteren dit keer voor Onkelinx.

Met de arbeidsvergunningen voor buitenlandse arbeidskrachten is het zoals met haast alle werkgelegenheidsmateries in dit land: het is voor een deel een bevoegdheid van de federale overheid, voor een deel een bevoegdheid van de deelstaten. Gevolg: de een kan niet zonder de ander, maar meestal wil de een iets anders dan de ander. Dus is het ofwel ruzie, ofwel zit het dossier geblokkeerd, en nooit is er eenduidig beleid.

De concrete beslissingen over de toekenning van arbeidsvergunningen aan buitenlanders is in beginsel een bevoegdheid van de deelstaten. De federale overheid stelt alleen nog de grote lijnen van de regelgeving daarover op.

Voor hooggeschoolden zijn die regels bij ons iets soepeler dan voor andere buitenlandse werknemers. Maar de Vlaamse minister Renaat Landuyt wil ze over heel de lijn niet soepel toepassen. Hij is karig met vergunningen. Hij staat er ook op dat de hooggeschoolden die in veel gevallen maar een toelating krijgen om vier jaar in het land te blijven, het land effectief verlaten na die vier jaar.

Ondernemingen die voor researchfuncties al lang niet meer naar de nationaliteit van hun werknemers kijken en wereldwijd rekruteren, moeten daardoor geregeld voortreffelijke specialisten laten vertrekken naar de concurrentie in het buitenland. Dat geldt ook voor de universiteiten: tegen de tijd dat uit het buitenland aangetrokken assistenten klaar zijn voor een doctoraat en aan een grote wetenschappelijke carrière kunnen beginnen, moeten ze het land uit.

Landuyt is tegen immigratie van arbeidskrachten. Want spanning op de arbeidsmarkt is goed voor de lonen van onze mensen, redeneert hij. Bovenal wil hij schaarste op de arbeidsmarkt omdat de werkgevers dan feitelijk gedwongen zijn te rekruteren in groepen die ze liefst links laten liggen, onder meer de allochtonen die hier wonen. De anderen kakelen over arbeidskrachten voor allochtonen, ik doe er iets aan, zegt hij.

De ondernemers vingen bot. Als Landuyt niet wil, proberen we bij Onkelinx, redeneerden ze. Die erkende dat zowat overal in Europa de immigratie van hooggeschoolden aangemoedigd wordt. Onlangs besliste Duitsland bijvoorbeeld zijn deuren open te zetten voor tienduizenden informatici uit India en Pakistan.

Zij zocht tot ze iets vond waarvoor zij bevoegd was. Zij mag niet beslissen wie binnen mag, maar zij mag wel beslissen hoe lang een arbeidskaart voor die hooggeschoolden geldig is. Ze schreef meteen een besluit om dit op te trekken van vier tot acht jaar. Het ligt voor advies bij de Raad van State.

Maar Landuyt heeft al een tegenzet klaar. Hij overweegt alleen zo'n arbeidskaarten voor acht jaar toe te kennen aan bedrijven die grote inspanningen doen om laaggeschoolden op te leiden tot de functies waarvoor ze in het buitenland willen rekruteren.

De werkgeversorganisaties VBO, VKW, VEV en de Vlaamse Kamers van Koophandel en Nijverheid zijn woedend. Ze vinden het onzin te eisen dat een bedrijf laaggeschoolden zou opleiden tot superspecialisten, voor ze specialisten uit het buitenland mogen aantrekken.