Europa heeft niets te winnen bij treinfusie tussen Siemens en Alstom
Een hogesnelheidstrein nabij een Alstom-vestiging in Belfort, Frankrijk. Foto: Vincent Kessler/reuters

Veertig topeconomen steunen de beslissing van de Europese Commissie om de fusie tussen Siemens en Alstom te verbieden. Ze waarschuwen voor de misvatting dat fusies nodig zijn om Europese kampioenen te creëren.

We hebben met bezorgdheid gekeken naar de politieke druk op de Europese Commissie in het kader van de fusie tussen Siemens en Alstom, en nog meer naar de politieke reacties op de recente verbodsbeschikking. Vooral zorgwekkend is de aankondiging van mogelijke initiatieven door de Franse en Duitse regeringen om het Europese mededingingsbeleid te versoepelen en fusies tussen grote Europese bedrijven te bevorderen. Het mededingingsbeleid moet onafhankelijk zijn van politieke inmenging die een Europees industrieel beleid promoot, en in de plaats daarvan moet het efficiëntieoverwegingen in rekening brengen ter bescherming van het competitieve proces.

Misleidend

Het argument dat het volstaat dat twee bedrijven fuseren en in omvang vergroten om competitiever te worden op de internationale markten is misleidend. Siemens en Alstom zijn nu al leidende bedrijven op de internationale markten, en profiteren dus al van belangrijke schaalvoordelen. We hebben in het publieke debat geen verklaring gevonden waarom hun samengaan tot aanzienlijke efficiëntieverbeteringen zou leiden (en de Europese Commissie verklaart in haar persmededeling dat de bedrijven geen bewijsmateriaal gaven voor mogelijke efficiëntieverbeteringen).

Zonder efficiëntieverbeteringen zal het wegnemen van de concurrentie tussen Siemens en Alstom de winsten weliswaar verhogen, maar het zou het gefuseerde bedrijf minder competitief op internationale markten maken. Dat zou nadelig zijn voor zijn klanten, zoals de spoorwegmaatschappijen en infrastructuurbeheerders, die waarschijnlijk hogere prijzen zullen moeten betalen en minder innovatie en kwaliteit zullen kunnen genieten. Dat zal uiteindelijk ook de gebruikers van treinvervoer schaden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de klanten zich fel tegen de transactie hebben gekeerd (indien Siemens competitiever was geworden na de fusie met Alstom, dan zouden zij de fusie net verwelkomd hebben).

Toegenomen marktmacht

De mededingingsregels verhinderen de vorming van nationale of Europese kampioenen niet, op voorwaarde dat de fusie voldoende sterke synergieën en complementariteiten tot stand brengt. De Europese Commissie verbiedt fusies uiteindelijk alleen in zeldzame gevallen, wanneer de verwachte concurrentiebeperkende effecten voor klanten en consumenten aanzienlijk zijn, en het weinig waarschijnlijk is dat er voldoende compenserende efficiëntiewinsten zijn.

Recente empirische studies documenteren een toegenomen marktmacht en concentratie, en verantwoorden eerder een strengere handhaving van de mededingingsregels, die alleen rekening mogen houden met objectieve efficiëntiecriteria en niet met politiek opportunisme. Europa heeft nood aan efficiënte, competitieve en innovatieve bedrijven. Fusies promoten die de concurrentie verwijderen, zou precies het tegenovergestelde bereiken.

Massimo Motta (ICREA-Universitat Pompeu Fabra and Barcelona GSE)

Martin Peitz (University of Mannheim and MaCCI)

Natalia Fabra (Universidad Carlos III de Madrid)

Chiara Fumagalli (Università Bocconi, Milano)

Amelia Fletcher (University of East Anglia)

Christine Zulehner (University of Vienna)

Thibaud Vergé (ENSAE, Paris)

Thomas Rønde (Copenhagen Business School)

Giancarlo Spagnolo (SITE-Stockholm School of Economics, EIEF and Tor Vergata)

Christos Genakos (University of Cambridge)

Frank Verboven (KU Leuven)

Justus Haucap, (Düsseldorf Institute for Competition Economics -DICE)

Tomaso Duso (DIW Berlin and Technical University Berlin)

Giacinta Cestone (Cass Business School, City, University of London)

Yannis Katsoulacos (Athens University of Economics and Business)

Paul Seabright (Toulouse School of Economics)

Giacomo Calzolari (European University Institute, Florence)

Monika Schnitzer (University of Munich)

Volker Nocke (University of Mannheim and MaCCI)

Markus Reisinger (Frankfurt School of Finance & Management)

Pedro Pita Barros (Universidade Nova de Lisboa)

Juanjo Ganuza (Universitat Pompeu Fabra, Barcelona)

Jacques Crémer (Toulouse School of Economics)

Yossi Spiegel (Tel Aviv University)

Bruce Lyons (Centre for Competition Policy, University of East Anglia)

Gerard Llobet (CEMFI, Madrid)

Konrad Stahl (University of Mannheim and MaCCI)

Klaus Schmidt (University of Munich)

Jose L. Moraga (Vrije Universiteit Amsterdam and Rijksuniversiteit Groningen)

Maarten Pieter Schinkel (University of Amsterdam)

Vincenzo Denicolò (Università di Bologna)

Michele Polo (Università Bocconi, Milano)

Philipp Schmidt-Dengler (University of Vienna)

Rune Stenbacka (Hanken School of Economics and Helsinki GSE)

Philippe Choné (Centre de Recherche en Economie et Statistique, Paris)

Nicolas Schutz (University of Mannheim and MaCCI)

Emanuele Tarantino (University of Mannheim and MaCCI)

Otto Toivanen (Aalto University and Helsinki Graduate School of Economics)

Kai-Uwe Kühn (University of East Anglia)

Luis Cabral (Stern School of Business, New York University)

Eric van Damme (Tilburg University)

Jan Bouckaert (University of Antwerp)

Marc Ivaldi (Toulouse School of Economics).