Katholiek onderwijs hertekent opdracht: alle overtuigingen welkom in lerarenkamer
Foto: Joris Snaet

Voor Lieven Boeve maakt het niet uit of zijn leerkrachten goede katholieken zijn. Zolang ze maar een meerwaarde hebben voor de school. ‘Iedereen die aan ons project wil meewerken, is welkom’, zegt de topman van het katholiek onderwijs.

Op het ledencongres van Katholiek Onderwijs Vlaanderen maakt directeur-generaal Lieven Boeve vandaag de nieuwe engagementsverklaring bekend. Die tekst is de toetssteen van wat scholen, leerlingen, ouders en de samenleving van het katholiek onderwijs mogen verwachten. Al die partners hebben tijdens de maandenlange opmaak van de tekst ook hun zeg mogen doen. Let wel: de discussies gingen niet over de inhoud van de vakken, wel over de identiteit van het katholiek onderwijs – een zeer fundamentele kwestie. De vorige tekst daarover, die toen nog opdrachtverklaring heette, dateert al van 1994. ­Boeve: ‘We waren aan een herziening toe.’

In de vroegere tekst staat bijvoorbeeld dat de katholieke school ‘gegrondvest is op de persoon van Jezus Christus’, dat men in de katholieke school leeft ‘in de woorden van de Heer’ en dat ‘God oproept tocht­genoot te worden van Abraham, ­Mozes en vele anderen’. Dat klinkt nu heel anders. ‘In 1994 ging men er nog van uit dat de meeste mensen op school katholiek waren’, zegt Boeve. ‘En dat anderen daarvoor respect hadden. Vandaag zijn er nog steeds scholen waarin de meerderheid van de mensen zich katholiek noemt. Maar we hebben ook andere scholen. Vandaar ons nieuwe uitgangspunt: iedereen die aan ons project van de katholieke dialoogschool wil meewerken, is welkom – ongeacht de ­eigen overtuiging.’

Voor wat, hoort wat

In de tekst is bijvoorbeeld te lezen dat leerkrachten in hun eigen overtuigingen inspiratie moeten vinden om een bijdrage te leveren. ­Boeve: ‘Of dat meer moslims voor de klas ­betekent? Niet noodzakelijk. Wel willen we dat de lerarenkamer een afspiegeling kan zijn van de samenleving. Daar vind je evengoed leraren die agnost zijn of zich in mindfulness interesseren.’

Een opvallende rode draad doorheen de tekst is de wederzijdsheid die op alle niveaus wordt verwacht: leerlingen mogen zichzelf vormen – minder top-down – maar moeten zich ook laten uitdagen door het aanbod van de school, ouders mogen van scholen verwachten dat ze een leef- en leerwereld zijn voor hun kinderen, maar tegelijkertijd moeten diezelfde ouders ‘echte partners zijn voor de opvoeding en vorming’.

Zelfs de lokale gemeenschap heeft een rol te spelen. Boeve: ‘De samenleving mag gerust verwachten dat we kwaliteit leveren. Maar wij mogen ook van de samenleving verwachten dat ze ons voldoende ruimte en middelen geeft om die kwaliteit te leveren.’

De afgelopen jaren lag het katholiek onderwijs vooral vanuit conservatieve hoek onder vuur om dat zijn identiteit teloor zou gaan. Het idee van de katholieke dialoogschool was daarbij olie op het vuur. De nieuwe engagementsverklaring gebruikt diezelfde katholieke dialoogschool als basis om verder op te bouwen. ‘De tekst is goed doorgesproken met alle betrokkenen’, zegt Boeve. ‘Sommige individuen zouden wellicht iets anders willen zien, maar het is moeilijk om voor iedereen goed te doen. Het is ook de bedoeling om over deze tekst verder gesprekken te voeren . Wij zijn ervan overtuigd dat iedereen kan bijdragen, vanuit een verscheidenheid aan opvattingen.’

‘Wij hebben 2.200 verschillende scholen, dat zijn ook 2.200 verschillende katholieke dialoogscholen. De openheid die we voor iedereen hebben en de christelijke stem waarmee we die dialoog aangaan, vinden toch een zeer breed draagvlak.’

Zegen van de kardinaal

Leerkrachten zullen de engagementsverklaring ontvangen als een bijlage bij het arbeidscontract. Boeve hoopt dat het op scholen ook een aanleiding kan zijn om diepgaande gesprekken te voeren over de identiteit. Ook wordt er gekeken naar een verwijzing in het model van schoolreglement.

Boeve bevestigt verder nog dat de nieuwe versie de steun geniet van de kerk. ‘De kardinaal komt de tekst persoonlijk ondertekenen op ons congres, samen met de andere onderwijspartners.’