Geld maakt wél gelukkig. Tot op zekere hoogte. Wie meer dan 4.500 euro netto per maand verdient, voelt zijn levenskwaliteit dalen.

Samen met gezondheid en sociale relaties vormt geld de top drie van zaken die ons geluksgevoel bepalen. Maar het bijzondere aan geld is dat het – in tegenstelling tot een goede gezondheid en dito sociale relaties – geen lineaire relatie heeft tot geluk. Het is niet: hoe meer, hoe beter. Tot die conclusie komt gezondheidseconoom Lieven Annemans. 
Wie het economisch slecht heeft, voelt zich veel minder gelukkig. Niet verbazingwekkend: als je je geen degelijk dak boven het hoofd of brood op de plank kunt veroorloven, is het lastig euforisch te zijn. Een op de vijf Belgen moet het stellen met een maandelijks inkomen van minder dan 1.000 euro netto. (Het gemiddelde ligt op 1.716 euro.) Die groep heeft 20 procent minder kans zich gelukkig te voelen dan wie meer dan 2.000 euro netto verdient. Maar opmerkelijk: heel veel geld maakt ook ongelukkig.  Het gaat hierbij om een zogenaamd netto 'genormaliseerd' inkomen. Daarbij wordt het gezinskomen gedeeld door het aantal gezinsleden.

Eén volwassene telt voor 1, elke bijkomend gezinslid ouder dan 14 jaar voor 0,5 en jongere kinderen voor 0,3. Een gezin met twee kinderen (15 en 10 jaar) en een gezamenlijk netto-inkomen van 3.500 euro, heeft een genormaliseerd inkomen van 1522 euro.        

Annemans wordt ook de geluksprofessor van de Gentse universiteit genoemd, nu hij zich heeft gestort op het Nationaal Geluksonderzoek. Hij bevraagt 3.770 Belgen op zoek naar een antwoord op de hamvraag van het leven: wat maakt ons gelukkig. In dit deel van het onderzoek komt het aspect geld aan bod.

Met ons inkomen zijn we blijkbaar niet tevreden. Zeven op de tien Belgen (69,9 procent) verlangen naar een hoger inkomen. En dat terwijl de Belgische levensstandaard een stuk hoger ligt dan het Europese gemiddelde. Zijn we te materialistisch ingesteld? ‘Geld dient niet alleen om in onze basisbehoeften te voorzien’, stelt Annemans. ‘In het algemeen scoren mensen met een hoger inkomen ook hoger op het ABC van het geluk.’ Dat staat voor Autonomie (in welke mate men zelf beslissingen kan nemen), Betrokkenheid (sociale relaties) en Competenties (hoe bekwaam en zelfzeker voelt men zich). Immateriële zaken dus.

De piek van ons geluk ligt op 4.000 à 4.500 euro netto per maand. Wie meer verdient, ziet zijn tevredenheid weer zakken. 

Groeit met de rijkdom ook de neiging tot zeuren? Of hoe verklaart Annemans dit? ‘Belgen met inkomens uit de hoogste categorie blijken minder tevreden met hun inkomen en woonomstandigheden. Voortdurend verlangen naar meer maakt dus ongelukkig. Annemans spreekt over een hedonistische tredmolen. ‘Als we al enig genot puren uit materiële rijkdom, is het sowieso van korte duur.’ Maar die rijke groep is ook minder gelukkig met haar werk en sociale relaties. ‘Dat hoge inkomen komt niet zomaar binnen. Er gaat klaarblijkelijk veel stress en eenzaamheid mee gepaard. De rijkste groep ziet haar levenskwaliteit verminderen, ze is slachtoffer van haar drang naar meer.’

Wie een lening of schulden heeft, maakt zich daar zorgen over - ongeacht hoeveel hij verdient. Belgen met extra schulden naast hun lening of hypotheek hebben volgens Annemans’ berekeningen 46 procent minder kans om gelukkig te zijn. 
Zekerheid maakt gelukkig. Financiële gemoedsrust blijkt een belangrijke factor voor ons welbehagen. De Belg is op zijn pensioensparen en levensverzekering gesteld: ze zouden 17 procent meer kans op geluk opleveren – een conclusie die levensverzekeraar NN, sponsor van het onderzoek, wellicht ook extra procentpunten op de tevredenheidsschaal oplevert.
We zijn dus blijkbaar het gelukkigst als we 4.000 à 4.500 euro netto per maand verdienen. Dat bedrag is slechts voor een kleine groep weggelegd, wat Annemans doet concluderen dat we ons economisch systeem moeten herdenken om het gemiddeld geluksniveau op te krikken. 

Econoom Frederic Vermeulen (KU Leuven) waarschuwt net om dat vooral niet te doen. Hij werkte, samen met collega’s van de Universiteit Antwerpen, UCL en ULB, vier jaar aan het onderzoek ‘Wat heet dan gelukkig zijn’ om erachter te komen dat ‘geluk absoluut geen goede maatstaf is om beleid op te baseren’. ‘Ongelijkheid in welzijn is vaak veel groter dan ongelijkheid in inkomen. De mensen die het minst tevreden zijn, zijn niet noodzakelijk de mensen met de slechtste leefomstandigheden. Er spelen heel wat persoonlijke kenmerken mee in hoe gelukkig iemand zichzelf inschat. Zo zijn hooggeschoolden veeleisender: ze zijn minder tevreden dan laagopgeleiden in dezelfde leefomstandigheden. Ook introverte mensen blijken minder tevreden. We kunnen verzuurde, hoogopgeleide, introverte mensen toch niet meer laten doorwegen op het beleid omdat zij als minst gelukkigen uit de bus komen?’