Collega met beperking is welkom (zolang het niet te veel moeite kost)
Foto: eva

De Vlaming is doorgaans bereid samen te werken met een collega met een arbeidsbeperking. Al mag dat voor velen niet te veel moeite kosten.

Vlamingen zijn voorzichtig positief over de tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap. Ruim zes op de tien geloven in de slaagkans ervan. Een kwart staat er kritischer tegenover. Dat blijkt uit een bevraging bij zowat 1.000 Vlamingen door de dienst Gespecialiseerd Team Bemiddeling (GTB), die mensen met een extra ondersteuningsnood aan werk of een andere zinvolle tijdsbesteding probeert te helpen. Het gaat zowel om mensen met een aangeboren beperking als om werkzoekenden met een arbeidshandicap door langdurige ziekte, thuisloosheid of een ongeval.

De ondervraagden staan grotendeels positief tegenover de kwestie, zolang die niet te dichtbij komt. Zo hebben acht op de tien waardering en respect voor bedrijven die rekening houden met deze doelgroep. Voor driekwart van de bevraagden is het zelfs een must: het hoort tot de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven om voorbij de arbeidsbeperking te kijken.

Drie op de vier Vlamingen scharen zich achter positieve discriminatiemaatregelen voor mensen met een arbeidsbeperking. Maar quota worden slechts door 44 procent ondersteund. De overgrote meerderheid wil gerust samenwerken met een collega met een arbeidsbeperking, maar voor vier op de tien mag dat niet te veel moeite kosten.

Re-integratieplan

Tegelijk begrijpen zes op de tien Vlamingen dat een werkgever een persoon zonder beperking voorrang geeft – zelfs als de kandidaat met een arbeidsbeperking dezelfde capaciteiten heeft en zijn beperking het werk niet in de weg staat.

Personeelsverantwoordelijken en werkgevers staan net iets positiever tegenover de tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap, al geven velen toe dat hun bedrijf meer zou kunnen doen op dit vlak.

Wat moet er gebeuren om de tewerkstelling van deze doelgroep te bevorderen? Een verplicht re-integratieplan voor werknemers die langdurig ziek worden of een werkongeval meemaken, kan op het meeste animo rekenen. Iemand kennen die zo’n beperking heeft, zou hun houding ook positief bijsturen, zeggen velen.

Er wordt voorts gepleit voor administratieve vereenvoudiging bij de aanwerving en velen vinden ook dat iemand die aan het werk gaat, financieel beloond moet worden. Tegelijk zou men niet ‘gestraft’ mogen worden als het toch niet lukt: er moet een soort ‘terugvalgarantie’ zijn. Werkgevers zijn vragende partij voor ondersteuning op de werkvloer – ze geloven hier meer in dan in intensieve begeleidingstrajecten buiten de werkvloer.

Deze mensen zijn kritischer

Jongeren, tussen 18 en 24 jaar, hebben meer vertrouwen in de slaagkans van mensen met een beperking op de arbeidsmarkt. Misschien daarom ook dat ze meer dan anderen voorstander zijn van het beperken van uitkeringen in de tijd. Ze vinden vaker dan de modale Vlaming dat loonsubsidies stigmatiserend werken voor de persoon in kwestie.

Ook de 25- tot 34-jarigen wijken af van de doorsnee-opinie: ze gaan minder vaak akkoord met positieve discriminatie, betonen minder begrip voor de afwezigheid of de verminderde productiviteit van collega’s met een beperking en hun waardering voor bedrijven die hier inspanningen voor leveren, is iets minder hoog. Misschien omdat zij zelf nog hard moeten knokken voor hun job?

Werkzoekenden zijn over de hele lijn minder positief over tewerkstelling voor mensen met een arbeidshandicap. Misschien omdat ze zich daardoor bedreigd voelen? Ze staan ook sceptischer tegenover activeringsinitiatieven.