Philippe Lançon schreef het boek van het jaar in Frankrijk, zijn getuigenis over het bloedbad bij Charlie Hebdo heeft een snaar geraakt. Bij de aanslag werd alle expressie uit zijn gezicht geschoten. Drie jaar en achttien operaties later is eten nog steeds niet evident. ‘Het zijn mijn tanden niet. Dokters haalden mijn kuitbeen weg om er een prothese aan te hechten.’

Zaterdag neemt Ds Weekblad u mee naar een Parijse bistro voor een interview met journalist Philippe Lançon. Het werd een gesprek over een quiche lorraine, en over het schaduwleven na de dood: ‘Mijn vrouw hoopt dat ik geen literaire prijs win. Ik word nog altijd geviseerd, zegt de politie.’ Lees hieronder zijn getuigenis over het moment waarmee alles begon.

Op 7 januari 2015 twijfelde Philippe Lançon of hij naar Charlie Hebdo zou gaan. Om de eerste redactievergadering van het nieuwe jaar niet te missen, ging hij toch. Zoals meestal was hij te laat. Die dag niet laat genoeg.

Lançon was gaan slapen met Michel Houellebecq op de televisie en opgestaan met Michel Houellebecq op de radio. Soumission kwam die dag uit. Een week eerder had hij het boek gerecenseerd voor de krant Libération. Een week later moest hij de schrijver interviewen. Lançon vond het boek geestig, vintage Houellebecq. Maar hij keek op tegen het eindeloze debat over de islam dat zou losbarsten. Hij kwam slecht gezind in de rue Nicolas Appert aan. Tijdens de redactievergadering werd er zoals gewoonlijk gelachen, gespot, gefoeterd, getekend. Uiteraard over Soumission. ‘Houellebecq zou snel door de realiteit ingehaald worden’, schrijft Lançon in zijn boek over die dag en de dagen die volgden. ‘De wereld waarin Houellebecq leefde, had nóg meer verbeelding dan de wereld die hij beschreef.’ Houellebecq was het laatste lawaai. Dan werd het heel erg luid en heel erg stil.

‘Hoeveel tijd heb je nodig om te beseffen dat de dood eraan komt?’ Kalasjnikovs, drie kogels. Lançon voelde ze niet. Hij zag de plas bloed niet waarin hij lag. De twee terroristen wel. Ze vonden het niet nodig om hem verder af te maken. Hij zag hun benen, de loop van een AK-47, de hersenen van de linkse econoom Bernard Maris. Wegkijken lukte niet. Toen hij met zijn tong stukken bot en tand in zijn mond voelde drijven, besefte hij dat er iets onomkeerbaars gebeurd was. ‘Ik heb Honoré niet gezien, die nochtans dood op mij lag. Ik heb Cabu niet gezien, wiens lichaam onder mij lag. Maar ik zag Tignous, languit op zijn rug, zijn ogen toe met een pen tussen zijn vingers. Als een inwoner van Pompeï, overspoeld door lava. En plots voelde ik de eenzaamheid van nog in leven te zijn.’

De hulpverleners kwamen. ‘Ze droegen mij in een bureaustoel met wieltjes naar buiten. Ik zweefde boven mijn kameraden. Mijn redders moesten over hun dode lichamen stappen. En plots, mijn God, lachten ze niet meer.’ Lançon hoort de hulpverleners schreeuwen: ‘Die: dood! Die: dood!’ Op het ritme waarop even voordien nog ‘Allahoe akbar’ weerklonk. Een van hen kijkt hem aan en roept: ‘Dat zijn oorlogswonden’. ‘Ik was een oorlogsslachtoffer tussen Bastille en République. Ik was een oorlogsslachtoffer in een land in vrede.’

Zaterdag leest u in ds weekblad hoe de aanslag Lançons leven heeft bepaald. Hoe hij weer begon te schrijven om de pijn te vergeten. Hoe de politie hem aanraadde om uit de schijnwerpers te blijven. En hoe de redactie van Charlie Hebdo verhuisde, maar hij de nieuwe stek nog steeds mijdt: ‘Ik ben bang dat als ik ernaartoe ga, alles opnieuw zal beginnen.’