Britten saboteerden onderzoek hacking Belgacom
Foto: Ivan Put

Het federaal parket wijst naar de Britse inlichtingendienst GCHQ als hoofdverdachte voor de hacking van Belgacom. Vraag is of de Belgische regering daar een diplomatiek incident voor over heeft.

Het federaal parket geeft een niet mis te verstane boodschap aan de regering: de hacking bij Belgacom (het huidige Proximus, red.) in 2013 was het werk van de GCHQ, een inlichtingendienst van bondgenoot Groot-Brittannië. De Britten maken bovendien tot op vandaag geen aanstalten om mee te werken aan het Belgische gerechtelijk onderzoek naar de hacking. Volgens het parket is dat ‘uitzonderlijk tussen EU-landen en kan dit leiden tot een diplomatiek incident’.

Dat staat allemaal te lezen in een vertrouwelijk verslag van het federaal parket dat de Nationale Veiligheidsraad begin deze week heeft besproken. Naast de top van de regering zitten ook de veiligheidsministers en alle veiligheidsdiensten in die raad. De Standaard nam kennis van de inhoud van het verslag.

Premier Charles Michel weigerde gisteren commentaar over de kwestie, net als minister van Justitie Koen Geens (CD&V). De woordvoerder van minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon (N-VA) wijst dan weer door naar de premier. De regering zit duidelijk verveeld met de zaak.

Documenten van Snowden

De hacking van Belgacom, een bedrijf waarvan de Belgische Staat meer dan de helft bezit, kwam in september 2013 aan het licht. Gezien het doelwit en de complexiteit van de inbraak ging het gerecht er meteen van uit dat het om ‘state-sponsored hacking’ ging. Uit documenten van klokkenluider Edward Snowden, die voor de Amerikaanse inlichtingendienst NSA werkte, bleek dat de hacking het werk was van de Britse inlichtingendienst GCHQ. De NSA en GCHQ concentreren zich op de onderschepping van elektronische communicatie. Ze werken daarbij intensief samen.

Vijf jaar na de schoonmaak bij Belgacom is het gerechtelijk onderzoek, met codenaam ‘Trinity’, zo goed als afgesloten. Omdat de daders een dik mistgordijn rond zich optrokken, is het parket er niet in geslaagd voldoende sporen te verzamelen waarmee een rechter een verdachte zou kunnen veroordelen.

Wel kwamen de speurders tijdens hun onderzoek uit op verschillende sporen die, los van de Snowden-documenten, ondubbelzinnig wijzen op betrokkenheid van de GCHQ. Concreet gaat het om IP-adressen van computers waar de spionagesoftware vanuit Belgacom mee communiceerde. Drie van die adressen waren eigendom van een Brits bedrijf, wat erop wijst dat de beheerder van de spionagesoftware zich in Groot-Brittannië bevindt.

De Belgische speurders klopten bij het Britse departement van Binnenlandse Zaken aan met een eenvoudige vraag: kunt u de identiteitsgegevens van de gebruiker van die IP-adressen bezorgen? Het antwoord klonk: ‘We hebben besloten deze hulp te weigeren. Het Verenigd Koninkrijk vindt dat dit onze soevereiniteit, veiligheid en publieke orde in het gedrang kan brengen.’