Museumpas neemt vliegende start
Het Kanal-Centre Pompidou is populair bij bezoekers met een museumpas. Foto: Kristof Vadino
De museumpas neemt een vliegende start. Twee weken na zijn lancering is de kaap van twintigduizend exemplaren geslecht. Zestig percent daarvan is in Vlaanderen verkocht.

Houders van een museumpas kunnen  ondertussen terecht bij een netwerk van 120 musea in België. Wie voor vijftig euro een pas koopt, kan een jaar lang naar hartenlust de aangesloten musea bezoeken. Er is één uitzondering: voor tijdelijke blockbusters met hogere inkomprijzen kunnen musea een supplement vragen.

Het systeem kent al jaren grote bijval in Nederland en lijkt nu ook de Belgische kunstliefhebbers te charmeren. Halfweg mei was er al een prelancering om het begrip ‘museumpas’ te introduceren. Toen hadden veertig musea de sprong al gemaakt, en namen vele andere zich voor om later aan te sluiten.

Nu zitten alle grote musea in het netwerk. Onder hen alle stadsmusea, zoals het Smak (Gent), het Mas (Antwerpen), Museum M (Leuven) en het Groeningemuseum (Brugge). Onder de 120 aangesloten musea zitten ook veel kleinere en regionale musea. De waaier is ondertussen breed genoeg  om een uiteenlopend publiek aan te spreken.

In mei gingen zesduizend passen in voorverkoop. Het waren collector’s items met ontwerpen van zes kunstenaars. Sinds de officiële lancering twee weken geleden zijn er nog eens 14.000 passen extra verkocht.

‘Er zijn drie verkoopkanalen’, zegt directrice Julie Van der Heyden. ‘Het grootste deel, 42 procent, wordt online gekocht. Dat zijn geïnteresseerden die een pas kopen die ze gebruiken als het hen uitkomt. 27 procent van de verkoop verloopt via de musea. Mensen gaan naar een tentoonstelling en schaffen zich ter plaatse een pas aan. Bij hen vallen aankoop en museumbezoek samen. 31 procent wordt verspreid via onze partners, zoals Cera, Bruzz en Prospekta.’

Stijgende inkomsten

De grootste trekkers zijn musea met grote tentoonstellingen of cultuurhuizen die in de belangstelling staan. In Brussel zijn dat bijvoorbeeld Bozar, met de expo Beyond Klimt, en Kanal-Centre Pompidou. Ook het Museum voor Kunst en Geschiedenis verkocht veel museumpassen. In Vlaanderen zijn de trekkers Museum M, het Smak en het Rubenshuis. In Wallonië het Wellington Museum, Le Grand Hornu en het Ropsmuseum in Namen.

Het idee om een museumpas te introduceren werd in Vlaanderen geboren. Van meet af aan was er ambitie om het systeem landelijk uit te rollen. Door die voorsprong voert  Vlaanderen de cijfers aan.  ‘Zo’n zestig procent van de passen is in Vlaanderen verkocht’, zegt Van der heyden. ‘In Brussel is  dat 25 procent, in Wallonië 15 procent. Rekening houdend met het bevolkingscijfer zit Wallonië nog wat onder de verwachtingen.’

Niet alleen geïnteresseerde individuen schaffen zich een museumpas aan. Er melden zich ook bedrijven die er het nut van inzien hun werknemers cultureel te verwennen. Zij kopen in pakketten tussen vijftig en tweehonderd exemplaren. Met 20.000 museumpassen op korte tijd ligt het streefdoel van 50.000 passen na één jaar binnen bereik.  

Als het systeem aanslaat zoals in Nederland zullen zowel het publieksbereik als de museuminkomsten stijgen. Nederland verkocht in 2009 nog 670.000 passen, in 2015 waren het er al 1,2 miljoen. De hogere bezoekcijfers leidden tot hogere inkomsten voor de musea.