‘Haal radicale strijders niet per definitie terug’
Tarik Jadaoun (Abu Hamza al-Belgiki) werd in mei in Irak ter dood veroordeeld. Het is niet duidelijk of hij nog leeft. Foto: afp

Strijders die een blijvend gevaar voor de veiligheid vormen, mogen in Syrië blijven, vindt procureur-generaal Delmulle.

Het openbaar ministerie moet niet langer automatisch vragen om de uitlevering van Syriëstrijders die in het buitenland opgepakt worden. Dat zegt Johan Delmulle, de procureur-­generaal van Brussel. Als uit een evaluatie van het Orgaan voor de Coördinatie van de Dreiging (Ocad) blijkt dat de strijder in kwestie een gevaar is en blijft voor de openbare veiligheid in ons land, dan moet de openbare aanklager niet proberen om hem in ons land voor de rechter te krijgen. Delmulle is een gezaghebbende stem in het debat over terreur. Hij heeft in het College van Procureurs-Generaal terrorisme onder zijn bevoegdheid.

Tegen het overgrote deel van de Belgische jihadi’s die in Syrië of Irak zitten, heeft het Belgische gerecht de voorbije jaren een aanhoudingsbevel uitgeschreven. Sommigen van hen werden al bij verstek veroordeeld, anderen moeten nog een proces krijgen. Als een Syriëstrijder wordt opgepakt in het buitenland, dan maakt het parket automatisch een verzoek tot uitlevering over aan de minister van Justitie. Die moet het dan in theorie doorzenden naar het land waar de jihadi opgepakt werd.

Delmulle wil dat veranderen. In zijn openingsrede bij de start van het gerechtelijke jaar in Brussel zei hij dat het openbaar ministerie verantwoordelijkheid ‘die het strafdossier overstijgt’ moet nemen en eventueel moet afzien van uitlevering aan ons land. Zeker als er informatie is dat er een risico bestaat dat de strijder na zijn straf toch verder zou willen gaan met terroristische activiteiten of toch een aanslag zou willen plegen.

Ter dood veroordeeld

Sinds het uitbreken van de ­oorlog in Syrië zijn zeker 417 mannen, vrouwen en kinderen vanuit ons land naar daar vertrokken. De meesten gingen er vechten aan de kant van jihadistische groepen. Een aantal is ondertussen al ­teruggekeerd naar België. Het Ocad schat dat er nog altijd 288 strijders ergens in Syrië of Irak verblijven. Van 136 daarvan staat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast dat ze er gesneuveld zijn. Zeventien anderen zitten in kampen in Syrië, twee in Irak.

Onder anderen Tarik Jadaoun uit Verviers en de Vilvoordenaars Ahmed N’Mili en ­Caner Cankurturan zitten vast in Irak en Syrië. Jadaoun werd in Irak in mei ter dood veroordeeld, maar het is onduidelijk of hij al ­geëxecuteerd werd. Over het lot van de 133 anderen is zeer weinig bekend.

Zestien kinderen

In de kampen in Syrië zitten ook nog zeker zestien kinderen die jonger zijn dan twaalf jaar. Procureur-generaal Delmulle spreekt zich niet uit over het lot van de vrouwen en kinderen in de kampen, hij heeft het alleen over de strijders.

Het blijft een politiek hangijzer of België die kinderen – en eventueel hun moeders – moet helpen om naar België terug te keren. Het Brusselse hof van beroep oordeelde afgelopen week nog dat ons land geen wettelijke verplichting heeft om dat te doen. De politieke wereld neemt vooralsnog geen enkel initiatief.