'Ik haat nuance. Kom je nergens mee'
Foto: Patrick Post
Net nog werd in Amsterdam de eerste terroristische aanslag gepleegd sinds de moord op Theo van Gogh. De geruisloosheid verbijstert boezemvriend Theodor Holman. In naam van de vriend blijft de columnist vechten voor de vrije meningsuiting, daar kreeg hij de Pim Fortuynprijs voor. ‘Ik pleit voor een schaterend cynisme.’

Theodor Holman. Nederlands schrijver, columnist, scenarist, radiomaker en kompaan van de vermoorde regisseur Theo Van Gogh. Ik leerde hem kennen als Opheffer, het pseudoniem waarmee hij de voorlaatste pagina van het weekblad De Groene Amsterdammer schrijft, ‘dat baken van progressief Nederland’.

Toen zijn vriend Van Gogh werd vermoord, startte Holman met zijn dagelijkse commentaren in de krant Het Parool, in een heel andere toonaard. Geen progressieve twijfel, wel conservatieve overtuiging. dS Weekblad sprak Theodor Holman in zijn Amsterdam. Hieronder leest u alvast een voorproefje.

‘Ben jij familie van Herman J. Claeys?', wil Holman weten voor ons gesprek goed en wel begint. 'De uitbater van die legendarische kroeg in Brussel? De Dolle Mol, ja, dat was het. Een heerlijke anarchistische plek. Daar trokken wij eind jaren zeventig naartoe. De politie was er net binnengevallen omdat er pornografie werd verkocht. Dat was een plek van de opstand. Wat mis ik zulke plekken. Ik ben onveranderd een anarchist gebleven. Dat is minder een principe dan een karaktertrek, denk ik. Ik ben ervan overtuigd dat je politieke keuze bepaald wordt door je karakter, en ik heb een radicaal karakter. Dat betekent niet dat ik radicalisme ambieer, ik ben daar zelfs tegen. Maar helaas heb ik dus wel dat karakter.’

Hij schatert, gaat verder. ‘Ik haat nuance. Enerzijds-anderzijds-columnisten moeten ontslagen worden. Nuance vind ik onvergeeflijk saai. Stilstaand water. Kom je nergens mee. Zelfs kunstenaars zijn nu zo vreselijk genuanceerd. Ze houden met alles rekening. Ook de cabaretiers. Zo braaf. Jullie Philippe Geubels, leuke grapjes, niets meer, het is allemaal zo geoorloofd. Kunst moet voortkomen uit pijn en moet pijn doen. Anders is het niets. Alleen Hans Teeuwen is nog gevaarlijk.’

Schrijft u zelf uit pijn?

‘Van de pijn ga ik uit, ja. Dus ik heb ook altijd geschreven. Ik kan niet anders. Het gaat erom een manier te vinden grip te krijgen op jezelf, en schrijven is mijn manier. Stijl staat daarbij boven alles. Het belangrijkste is dat je iets goed geformuleerd hebt. Ik pas mijn mening weleens aan voor een mooie zin. Dat is tenslotte de taak van een beroepsschrijver. Wát je zegt, vind ik minder belangrijk. De boodschap is de kapstok voor de stijl.’

In herkenbaar gelijke stijl klinkt uw boodschap als commentator nochtans wel structureel anders dan die van Opheffer.

‘Ik schrijf over andere dingen, ik weet niet of mijn boodschap, als die er al is, zo anders is.’

Ga ik te kort door de bocht als ik Opheffer links vind, en Holman rechts?

‘Kort neem je de beste bochten, dus doe maar. Ik volg je opsplitsing, alleen is Opheffer niet links. Hij staat wél in een links medium als De Groene Amsterdammer, zoals ikzelf aanvankelijk ook was. Je moet eens mijn eerste columns lezen, dan zal je zien wat een leuke, linkse jongen ik vroeger was.’

En nu bent u eenzijdig rechts?

‘Ik word in elk geval steeds cynischer. Ik heb weinig op met hoop, geloof ook niet in dwangmatig optimisme, al helemaal niet in maakbaarheid. Dat komt voor het overgrote deel door de moord op Theo, natuurlijk. Dat was een kantelpunt. Zoals de Tweede Wereldoorlog dat was voor mijn ouders – ze hebben allebei een Japans krijgsgevangenkamp overleefd in Indonesië. Ze zijn teruggekomen zonder geloof. Zoals ik van Theo teruggekomen ben zonder idealen. 

Zaterdag leest u in dS Weekblad het volledige interview met Theodor Holman. ‘Medelijden is oppervlakkig. Omdat het ons oordelen fout beïnvloedt. Een dood kind op het strand mag ons oordeel over rechtvaardigheid niet beïnvloeden’