Belgische artiest van Palestijnse afkomst aangehouden in Israël
Foto: Anadolu Agency

Een Belgische artiest van Palestijnse afkomst is op 19 juli door de Israëlische autoriteiten gearresteerd toen hij naar de Palestijnse bezette gebieden wou reizen. ‘Mijn cliënt is aan een grenspost opgepakt wegens lidmaatschap van een terreurorganisatie, wat hij met klem ontkent’, zegt zijn advocate.

Mustapha Awad, geboren in een vluchtelingenkamp in Libanon, werd op 20-jarige leeftijd als vluchteling erkend in België, voordat hij de Belgische nationaliteit verwierf. Vandaag werkt hij als 36-jarige in de cultuursector en treedt hij op met de groep Raj’een, die hij mee opgericht heeft en die traditionele Palestijnse dans brengt.

‘Het was de eerste keer dat hij naar Palestina reisde om het land van zijn ouders te bezoeken. Hij heeft er nooit geleefd’, zei zijn advocate. Awad engageert zich volgens haar voor de Palestijnse zaak.

Sinds zijn arrestatie vorige maand werd Awad verscheidene keren ondervraagd, in het bijzijn van een Israëlische raadsman. Zijn advocate in België kreeg geen toegang tot het dossier. Een tiental verwanten van Awad, die zich in een België in een collectief hebben verenigd, vrezen dat hij het slachtoffer van foltering wordt.

Militaire training

Volgens de Israëlische pers, die de veiligheidsdienst Shin Bet aanhaalt, wordt Mustapha Awad verdacht van lidmaatschap van PFLP (Popular Front for the Liberation of Palestine), het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina dat als een terreurorganisatie beschouwd wordt door Israël, de Europese Unie en de Verenigde Staten. Awad zou zich in 2010 bij de groep hebben aangesloten en vanuit Europa contact hebben gehad met leden in Libanon, Syrië, Jordanië en de Gazastrook. De inlichtingendienst vermoedt ook dat hij in Libanon een militaire training van Hezbollah kreeg.

De federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken in België bevestigde de arrestatie van de dertiger en zei dat de dienst de zaak ‘opvolgde’, zonder verdere preciseringen.

Mustapha Awad verschijnt normaal gezien op 3 september voor een Israëlische rechtbank.