Arcade Fire: armwuiven op de Apocalyps
Foto: Koen Bauters

Durft er iemand dieper in de wonde van de tijdgeest te poken dan Arcade Fire? Misschien, maar niemand doet het zo gewiekst als dit stelletje Canadezen.

Hun afsluitende set op de Main Stage stond donderdag in het teken van hun recentste album Everything now, een middelvinger naar het onbegrensde hedonisme dat ons steeds meedogenlozer over de afgrond richting Apocalyps duwt. Jup, mensen, het ís vijf over twaalf.

Het aangename is dat Arcade Fire zijn boodschap vermomd als een feest. Zo werd het Everything Now-logo dat op het als Las Vegas-billboard verpakte scherm boven het podium meteen in de fik gestoken – niet letterlijk natuurlijk – terwijl in alle talen de woorden ‘everything now’ extatisch door de speakers knalden.

Het gelijknamige nummer, met zijn van ‘Blurred lines’ gepikte baslijn, zijn vrolijke ABBA-motiefjes en zijn... panfluit, deed de massa luidkeels lalalala’s mee kirren. ‘We turn the speakers up till they break’, zong frontman Win Butler, ‘Cause every time you smile it’s a fake!’ En iedereen danste mee op de rand van de ondergang. Hoezee!

Het liedje rolde uit in een euforisch percussiefestijn, aangevuurd door viool en baritonsax, dat opging in ‘Neighbourhood #3 (power out)’ van zijn debuut Funeral. Door zijn nummers zo aan elkaar te lijmen, ontblootte Butler thematische en muzikale banden die de argeloze luisteraar was ontgaan. Berekend, maar het werkte.

Arcade Fire: armwuiven op de Apocalyps
Foto: Koen Bauters

Mijmering

‘Rebellion (lies)’ rakelde de valse extase nog wat verder op, tot het uiteen brokkelde in ‘Rococo’, een song over het slachtvee genaamd jeugd. ‘Here we are now, entertain us’, citeerde Butler de regel waarmee Kurt Cobain ooit zijn generatie te kijk zette.

Dat Arcade Fire tot spijt van velen veel meer een pop- dan een rockband is geworden, onderstreepte de groep met ‘Put your money on me’ en ‘Electric blue’. Régine Chassagne zong zo hoog dat alleen honden haar nog konden horen terwijl de bubbelende elektronica van Kraftwerk leek te komen.

‘Wasted hours’ en ‘The suburbs’ zorgden voor een mijmering over het vervlieden van de tijd, maar daar knalde ‘Ready to start’ die verstilling alweer aan stukken. Een punksong die meer lust for life bevatte dan Iggy Pops classic.

Arcade Fire: armwuiven op de Apocalyps
Foto: Koen Bauters

Kritiek op holle selfiemaatschappij

Maar we waren gekomen om te feesten, en daar zorgden de kitschdisco van ‘Sprawl II (mountains beyond mountains)’ en ‘Reflektor’ voor, Butlers kritiek op onze holle selfiemaatschappij gehesen in een outfit van Giorgio Moroder. Chassagne trok haar glitterpakje aan en holde helemaal naar de geluidstoren om er te gaan dollen met een discobol.

‘Afterlife’ leek daarna een vreemde keuze, tot Butler er een stukje ‘I say a little prayer’ van Aretha Franklin in smokkelde. Even daarvoor had hij The Queen of of Soul al eervol gesalueerd: ‘Zij was de grootste. De rest is maar een schaduw.’

De dood waarde ook door het tussen New Order en Talking Heads zwijmelende ‘Creature comfort’, een hart onder de riem voor jonge mensen die ten onder gaan aan de druk van de maatschappij. Opnieuw stond iedereen uitzinnig nanananana’s mee te zingen en te armwuiven.

Arcade Fire: armwuiven op de Apocalyps
Foto: Koen Bauters

De enthousiastelingen kregen nog een kampvuurversie van ‘Everything now’ toegestopt, waarna ‘Wake up’ de cirkel rond maakte: ‘Children, wake up, hold your mistake up!’ klonk het als een religieuze hoogmis die inzet op hoop.

Nee, hun show deelde geen even straffe uppercut uit als die in het Sportpaleis eerder dit jaar. Maar welke band legt de grote massa zo slim het vuur aan de schenen?