‘We stalen onze psychiatrische dossiers en lachten ons kapot met wat we daarin lazen’
Foto: Fred Debrock
Hij heeft een zwak voor de onaffe mens, zonder er romantisch over te willen doen. Zij wéét wat het is. ‘Zonder harnas lukt het niet.’ ‘Soms zitten de pinnekes aan de binnenkant.’ Een pas de deux met televisie- en theatermaker Dominique Van Malder en dichteres Delphine Lecompte.
Van Malder: ‘Ik was altijd nogal expressief. En grappig. Reden waarom ik er ook altijd werd uitgepikt voor toneeltjes. Zoals die keer dat ze een Jezus zochten. Maar ja, ik was toen al dik. Ik hing aan een kruis, de leraar raakte mij aan en zei voor heel de klas: “Kijk! Een Jezus met tetjes.” Dat was mijn eerste publieke optreden. Toen dacht ik: wacht maar, van deze Jezus met tetjes zul je nog horen.’

Zaterdag leest u in dS Weekblad het dubbelinterview met Delphine Lecompte en Dominique Van Malder. Hieronder leest u alvast een voorproefje.

Was de poëzie redzamer dan de psychiatrie?

Lecompte: ‘Ik kwam verwoest de psychiatrie binnen en ging er nog verwoester buiten. Ik heb er wel genoten van het contact met de anderen. Iedereen zit daar samen: weeskinderen, ex-hoeren, bipolaire vissers…’

Bipolaire vissers?

Lecompte: ‘Ja, uit Knokke. Ik verzin dit niet. Ik heb mij daar toen te veel genesteld. Het was wij, geblutste mensen, tegen de verpleging. We stalen onze dossiers en lachten ons kapot met wat we daarin lazen. Hoe ver ze er naast zaten. Er was een dierenasiel vlakbij. Ik ging ’s middags wandelen met de honden, ik denk dat ik daar meer aan heb gehad dan aan wat ze mij in de psychiatrie aanreikten – pillen vooral. Al heb ik er wel badminton leren spelen.’

Van Malder: ‘Ik ben ook vatbaar voor… Laat me zeggen dat ik om de twee weken naar een therapeut ga. Ik heb jarenlang, sinds mijn puberteit, erge nachtmerries gehad, paranoïde dromen. Drie à vier keer per week. Ik slaapwandelde niet, ik slaaprende, een keer bijna van het balkon af. Ik heb pas later beseft dat dat gestopt is toen ik toneelschool ging doen. Kan kunst niet genezen, ze kan op z’n minst bezweren, en ik wil daar niet ironisch of minimalistisch over doen. Laat er in het dagelijks leven alsjeblief vooral wat meer poëzie zijn, in alle betekenissen van het woord. We zijn toch zo braaf met z’n allen, meer begaan met de deadline van onze belastingbrief dan met wat we zijn of voelen. Ik houd van een Herman Brood die zijn treinticket betaalde met een schets. En zijn belastingen met drie schilderdoeken.’

A.u.b. geen romantiek

Wat je krijgt, als je het leven ad fundum leeft: échte kunst. ‘Pijn is echte pijn, plezier is echt plezant’, schreef De Standaard over Chasse Patate van Studio Orka. De gedichten van Delphine Lecompte brengen een mens, volgens haar collega Carmien Michels, ‘op de rand van het ongemakkelijke, het beschamende, het perverse en het absurde’.

Het publiek krijgt er de vrucht van, de kunstenaar het applaus. Maar ermee leven doet de kunstenaar alleen.

Van Malder: ‘Het kan geen pretje geweest zijn om Brood te zijn. Of Charles Bukowski. Die heb ik met heel mijn hoofd en lijf gespeeld (in BUKO van Abattoir Fermé, red.). Ik weet wel waarom ik over zo iemand een voorstelling wil maken. Ik ken de roes zelf ook goed.’

Lecompte: ‘Noem mij gerust de Vlaamse Bukowski. (lacht) Het kan te fel worden, zo hard als alles altijd binnenkomt. Dat tracht je dan al eens uit te schakelen. Alcohol en Xanax dempen de prikkels. Ik mag mezelf daar niet te veel mee verwennen.’

En als het dempen niet lukt?

Lecompte: ‘Dan blijf ik wakker en zwerf ik weer rond op straat. Kom ik ongetwijfeld weer interessante mensen tegen, maar ook minder goede mensen. Zoals vroeger. Ik was zo rusteloos, dag en nacht. Ik heb vele kilometers afgelegd, in verhoogde staat van gevoeligheid. De kunst bestaat erin om te verdoven zonder alles uit te vlakken. Ik verplicht mezelf soms om wat onrust toe te laten. Ik kan genieten van slaapgebrek omdat ik me dan lichtjes paranoïde ga voelen, wat mijn gedichten ten goede komt. Maar dat gevaarlijke leven van vroeger? Nee, ik ben blij dat het achter de rug is. Dat er nu toch een heel klein beetje stabiliteit en veiligheid is. Het is te droevig geweest. De marginaliteit is niet iets om romantisch over te doen.’

Van Malder: ‘Absoluut waar. Ik heb in mijn familie ook zaken gezien die ik als kind niet had moeten zien. Wat alcohol met mensen doet. Ik kom uit een arbeidersgezin, mijn vader stamt uit een gezin van elf kinderen, mijn moeder van vijf. Er zat van alles tussen, van topchirurgen tot wrakken van mensen. Een tak van de familie is echt De helaasheid der dingen. Prettig was dat niet, maar het heeft me wel gevormd. Het verklaart waarom ik een voorliefde heb voor wat ik in mijn theaterwerk blijkbaar moest opzoeken: de onaffe mens, de marge.’

‘We hadden het niet breed thuis. We zijn met ons gezin maar één keer op reis gegaan, naar Benidorm, ik was twee jaar. Mijn ouders werkten in de Philips-fabriek in Dendermonde. Ze verloren hun job toen ze 50 en 45 waren. Mijn moeder heeft nog even in rusthuizen gewerkt, mijn vader deed klusjes. Ik heb hen zo hard zien werken voor geen geld, dat ik dacht: ik wil vooral mijn goesting doen. Mijn broer reageerde heel anders op die afkomst. Hij nam zich voor om véél geld te verdienen. Dat is goed gelukt, hij zit in de wereld van de accountancy.’

Dankt niet elke kunstenaar de ongelukkige jeugd?

Van Malder: ‘O, maar ik heb best wel een warme jeugd gehad. Er was alleen die geremdheid, de nederigheid van the common people. Ik ging Latijn-Grieks doen, mijn vader zag dat niet zitten: “Allez jongen, dat is voor dokterskinderen.” Theater? “Ben je gek?” Altijd maar “Dat is niets voor u.” “Te hoog gegrepen”. Nu ik zelf vader ben, besef ik dat het vooral draait om je kind steunen in wat het doet. Dat hadden mijn ouders toch een tikkeltje meer mogen doen.’

‘Gek, maar ik heb theater nodig gehad om dichter bij hen te komen. Voor mijn eindwerk aan de toneelschool heb ik mijn ouders geïnterviewd. Dat was helend. En met Studio Orka heb ik een stuk gespeeld waarin ik mij spiegelde aan mijn vader. Hij is nooit komen kijken. Jammer. Hij had er veel in herkend, misschien had het hem zelfs kunnen helpen.’

 

Lecompte: ‘Ik was 14 en al mijn leeftijdsgenoten waren zot op ‘Smells Like Teen Spirit’. Ik wilde alleen maar Manic Street Preachers horen. All we want from you are the kicks you’ve given us.’

Van Malder: (met zijn Radio Gaga-stem) ‘En aan wie wil je dit plaatje opdragen, Delphine?’

Lecompte: ‘Aan mijn mama, natuurlijk.’

De volledige aflevering van Villa Hellebosch met Delphine Lecompte en Dominique Van Malder leest u zaterdag in dS Weekblad en op standaard.be.