Idles: Een gier aan de ontbijttafel
Idles Foto: Koen Bauters
Punk op Rock Werchter? Je moest er helemaal naar The Slope voor trekken om hem te vinden. Daar bleek hij gelukkig springlevend. Met dank aan Idles, een ongeschoren kwintet uit Bristol dat de rauwe moker van Kanyes Yeezus als een ereteken op zijn hemdsmouwen heeft gespeld.

Met het mes op de keel werd ‘Mother’ de wei in gegooid, een song waarin zanger John Talbot de woorden ‘mother’ en ‘fucker’ van elkaar loswrong om er een ode aan zijn door het systeem genaaide, inmiddels overleden moeder van te maken. Een schop in de kloten ook van alle venten die vinden dat vrouwen niet moeten zagen over grensoverschrijdend gedrag.

Zo had Talabot wel meer krassende verhalen in de koker. ‘This is why you never see your father cry’, spuwde hij in ‘Samaritans’, een openspattend bierblik dat links van Savages en rechts van Sleaford Mods terechtkwam. Gitarist Mark Bowen ramde op zijn instrument alsof er een kolonie rode mieren in zijn onderbroek - zijn enige kledingstuk - te keer ging. Bekers vlogen door de lucht, crowdsurfers kozen het ruime sop.

‘How many optimists does it take to change a lightbulb?’ vroeg Talabot zich af in ‘White privilege’. ‘None!’ brulde Bowen woest. Een likje ‘I saw her standing there’ van The Beatles zat erin verstopt, maar ook veel woede en anger. De song ontplofte in een ziedend mantra: ‘Dance till the sun goes round, yeah!’

Idles porde diep in de wonden van de falende politiek en andere scheef lopende tragiek, maar nooit zonder humor. ‘There's a vulture at my breakfast table’, gromde Talabot, een ex-alcoholicus met meerdere levens op de teller, in uitsmijter ‘Rottweiler’. ‘People think I'm insane!’ Bah neen, jong.

35 minuten, meer had Idles niet nodig om The Slope, komt ie, te slopen. Een goeie shot energie die we nodig hadden om bij David Byrne te gaan dansen.