Vroeg of laat dreigt er een watertekort, hoor je in Vlaanderen. Niets van dat in Nederland. ‘Het is vrijwel uitgesloten dat we een tekort aan drinkwater krijgen, zelfs bij extreme droogte’, zegt Rijkswaterstaat. Hoe kan dat?

Voor een groot deel ligt het verschil bij onze culturen: Vlamingen houden graag een slag om de arm, Nederlanders communiceren zelfverzekerd. Want ondertussen wordt in beide landen evengoed opgeroepen om zuinig te zijn op water en staat de overheid klaar om maatregelen op te leggen. ‘Zowel in Nederland als bij ons zit het probleem ‘m niet in de waterreserve als wel in het piekverbruik’, zegt Carl Heyrman, directeur van Aquaflanders, de vereniging van Vlaamse drinkwaterbedrijven.

Aan de Nederlandse ‘grote rivieren’ en hun enorme aanvoer van zoet water ligt het alvast niet. Terwijl Vlaanderen vijftig procent van zijn drinkwater uit oppervlaktewater haalt, is dat in Nederland slechts veertig procent, vertelde de Nederlandse tegenhanger van Aquaflanders gisteren aan NRC Handelsblad. En hij voegde eraan toe: Er zijn geen tekorten. Drinkwaterbedrijven zijn berekend op dit soort droogte. We kunnen dit gewoon aan, in Nederland.’

Maar, zegt Heyrman, rivierwater is net veel onstabieler dan grondwater. Het debiet schommelt sterk met de regenval, terwijl grondwater een veel zekerder debiet heeft. Dat is water dat soms duizend jaar geleden is gevallen, en tijdelijke variaties zijn al lang afgevlakt. ‘Nogmaals: het probleem in beide landen is het piekverbruik. De diameter van de waterleidingen ligt vast, en dus ook hoeveel we er kunnen doorpompen, zelfs al hebben we meer beschikbaar. En voor alle duidelijkheid: ook wij zitten nog lang niet zonder drinkwater.’

Wij hebben wel erg veel bevoegde ministers
Dat wij meer ministers hebben om ons water te beheren, is niet echt een voordeel. Waterwegen vallen onder Mobiliteit (Ben Weyts), grondwater onder Omgeving (Joke Schauvliege). Drinkwater is ook voor Schauvliege. Een deel van ons water krijgen we uit Wallonië, een deel uit Brussel, met ook weer andere ministers – en de Waalse hebben er ooit al een keertje aan gedacht om hun drinkwater aan de onderhandelingstafel in te zetten. En o ja, de provinciegouverneurs kunnen elk apart verbieden om nog water uit de beken te pompen, en uw burgemeester is bevoegd voor de sproeier op uw gazon.

In Nederland gaat het er rationeler aan toe, en hebben ze een goed uitgewerkt systeem om water tussen de verschillende stroomgebieden heen en weer te sturen, desnoods langs dezelfde rivier weer omhoog. Dat is ook nodig, om overal een voldoende hoge waterstand te kunnen garanderen. Die is nodig om verzilting van het bodemwater tegen te gaan: Nederland ligt beneden zeeniveau en dat zoute zeewater duwt zich ook ondergronds naar binnen, als het geen tegendruk krijgt. Een probleem dat wij niet hebben. Het op peil houden van de waterstanden krijgt in Nederland zelfs voorrang op de drinkwatervoorziening.

IJsselmeer als reserve
Qua lekkende waterleidingen heeft Nederland ook geen voorsprong op ons. Zo’n vijftien procent van het drinkwater dat in Vlaanderen de leidingen ingaat, passeert nooit voorbij een teller. Er verdwijnt water door lekken, maar ook door wat de brandweer rechtstreeks uit de leidingen haalt en wat er gebruikt wordt om te spoelen. Maar volgens zowel Aquaflanders als de Vlaamse Milieumaatschappij is dat internationaal gezien een heel goede score.

Dus Nederland zit helemaal niet ruimer in water dan wij? Dat nu ook weer niet. Ze hebben ruimere reserves, zoals bijvoorbeeld het gigantische IJsselmeer. Ons probleem is de aardrijkskunde: we hebben niet zo heel veel rivieren en er is nauwelijks plaats voor nieuwe meren. Volgens cijfers van de Oeso hebben binnen Europa alleen Tsjechië en Italië nog minder water per persoon ter beschikking dan Vlaanderen. Afhankelijk van de precieze meetmethode, heeft Nederland drie tot vijf keer meer water ter beschikking. IJsland doet het nog eens honderd keer beter dan Nederland, maar dat heeft dan ook nauwelijks inwoners en bestaat voor de rest vooral uit ijs.