Consument betaalt hogere winst van bedrijven
Foto: photo news
Het verschil tussen verkoopprijs en kosten is aanzienlijk toegenomen. Vooral in België. Consument en werknemer zijn de dupe.

Sinds de eeuwwisseling is de winstmarge van Belgische bedrijven spectaculair toegenomen. Van ongeveer 7 procent tot maar liefst 106 procent in 2016. Dat betekent: voor elke euro die ze zelf moeten betalen om hun eigen variabele kosten te dekken, kunnen ze de eindklant een bijkomende euro aanrekenen. Dat blijkt uit een net verschenen NBER-studie van de Belgische economen Jan De Loecker (KU Leuven) en Jan Eeckhout (University College London).

Marginale kosten

België is geen unicum. In het gros van de 134 onderzochte landen steeg de winstmarge de voorbije decennia fors. Bedroeg het wereldwijde gemiddelde in 1980 nog 10 procent, dan was dat in 2016 60 procent. Ons land zit een pak boven dat gemiddelde. In Europa kunnen alleen Denemarken, Zwitserland en Italië hogere marges aanrekenen.

Dat de winstmarge zo hoog is, hoeft niet problematisch te zijn. De auteurs vergelijken in hun studie de prijs die aan de eindklanten aangerekend wordt met de kosten van de laatste eenheid die geproduceerd wordt – de ‘marginale kosten’ in het jargon. Maar bedrijven hebben ook vaste kosten, waarmee hier geen rekening gehouden wordt. Het zou dus best kunnen dat bedrijven steeds meer vaste kosten hebben, en dat hun variabele kosten afnemen. Daardoor stijgt hun variabele winstmarge, maar maken ze niet per se meer winst.

Door de toenemende digitalisering is dat scenario niet eens zo gek. Bedrijven geven grote sommen uit aan het ontwikkelen van pakweg een app, terwijl het zo goed als niets kost om die app bij een consument te brengen.

Maar dat kan niet de hele verklaring zijn, stippen de auteurs aan. Uit hun berekeningen blijkt dat de beurswaarde van bedrijven precies meegestegen is met de variabele marge. Als de stijgende vaste kosten aan de winst zouden knabbelen, zouden beleggers dat incalculeren, en zou de beurskoers niet meestijgen met de variabele winstmarge.

Telecom en bier

Een minder rooskleurige verklaring is dat bedrijven hun prijzen kunnen verhogen omdat er minder concurrentie is op de markt. Mogelijke oorzaken daarvan zijn een toenemend aantal fusies, gunstige regelgeving en schaalvoordelen.

Dat klinkt in ons land – waar de prijzen hoger liggen dan het Europese gemiddelde – niet eens zo vreemd. Minister van Telecom Alexander De Croo (Open VLD) hekelde al herhaaldelijk het gebrek aan concurrentie op de telecommarkt en de te hoge prijzen die daaruit voortvloeien. Het Prijzenobservatorium onderzocht in het verleden al onder meer de bier- en de cinemasector – zonder concrete gevolgen weliswaar.

De stijgende marges zijn niet alleen slecht nieuws voor de consument, maar ook voor de werknemers. Door de hogere prijzen is er minder vraag, waardoor de geproduceerde hoeveelheid daalt. Zo zijn er minder werknemers nodig. Er zijn niet alleen minder jobs, maar de onderhandelingsmacht van werknemers daalt ook, wat loonstijgingen drukt.

De Loecker en Eeckhout tonen aan dat de stijgende marges de voorbije 25 jaar opvallend samenlopen met het gedaalde aandeel van arbeid in het bbp. Daardoor verschuift inkomen van de werknemers naar de eigenaars van bedrijven, of de aandeelhouders. Omdat managers vaak delen in de winst, kan de ongelijkheid stijgen.

Beide auteurs publiceerden eerder al een analyse over de stijgende marges van Amerikaanse bedrijven. Die studie veroorzaakte flinke deining, en riep de vraag op of grote bedrijven niet meer gereguleerd moeten worden.

De methodologie van de studie is niet onbesproken. Omdat gegevens over prijzen en zeker variabele kosten niet altijd beschikbaar zijn, moeten de wetenschappers een omwegje maken op basis van boekhoudkundige data. De Amerikaanse econoom Tyler Cowen kwam op basis van gelijkaardige gegevens tot de conclusie dat de marges van Amerikaanse bedrijven het jongste decennium juist niet gestegen zijn.

In de recentste versie van hun Amerikaanse studie weerleggen De Loecker en Eeckhout die kritiek.