Almaar ouder naar rusthuis, maar levenseinde blijft taboe
Foto: Hollandse Hoogte / Flip Franssen

Veel rusthuizen praten en plannen onvoldoende over het nakende einde. Nochtans sterven de meeste bewoners daar, en niet meer in een ziekenhuis.

De gemiddelde leeftijd waarop mensen hun intrek nemen in een woonzorgcentrum, is 85 à 86 jaar. Ze zijn dan meestal zwaar zorgbehoevend. De gemiddelde verblijfsduur is de afgelopen tien jaar flink ingekort. Voor nieuwe bewoners bedraagt die nu minder dan twee jaar – in sommige centra spreekt men van 1,5 jaar.

Cijfers van het agentschap Zorg en Gezondheid voor 2017 bevestigen dit: één op de drie bewoners die in dat jaar overleden, verbleef nog geen jaar in het woonzorgcentrum. Ruim de helft verbleef er nog geen twee jaar.

Bovendien sterven bewoners veel vaker in het woonzorgcentrum: het aantal overlijdens is er sinds 2000 verviervoudigd, ten nadele van het ziekenhuis.

Levenseindezorg in de woonzorgcentra is heel belangrijk geworden. Nochtans blijkt uit het jongste rapport van de Kwaliteitsindicatoren – een zelfevaluatieproject – dat ‘een niet klein deel’ daar veel te weinig aandacht aan besteedt. In de helft van alle woonzorgcentra heeft 45,6 procent of minder van de bewoners een plan voor zorg rond het levenseinde. In één op de vijf heeft 19,4 procent of minder zo’n plan. In 28 woonzorgcentra (3,6 procent) heeft niemand zo’n plan.

De spreiding is groot, want bij één op de vijf woonzorgcentra hebben driekwart of meer bewoners zo’n zorgplan. Er zijn er enkele waar alle bewoners een vroegtijdige zorgplanning (VZP) hebben.

Het houdt niet alleen in dat er, indien de bewoner dat wenst, een wettelijke vertegenwoordiger is aangewezen. Er moet ook met de bewoner of diens vertegenwoordiger gepraat worden over zijn of haar wensen inzake het levenseinde. En er moet op basis van dat gesprek een individueel zorgplan opgemaakt zijn, waarbij wordt aangegeven welke zorg de bewoner niet meer wil, of juist wel nog.

In vergelijking met een jaar geleden is er globaal een lichte vooruitgang. Toch blijft er nog veel werk aan de winkel, zegt Bernadette Van Den Heuvel, adviseur woonzorg bij Vlaams minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V). Wie goed gescoord heeft, mag evenmin bij de pakken blijven zitten: ‘Men mag niet vergeten dat het gesprek met de bewoner telkens opnieuw moet worden aangegaan. Het is een continu en dynamisch proces, want een bewoner kan evolueren en van mening veranderen.’

Te weinig centen

‘Ook kan je goede levenseindezorg niet alleen beoordelen op de aanwezigheid van vroegtijdige zorgplanningen. Je zou de concrete uitvoering moeten beoordelen en de familie bevragen. Het vraagt nieuwe kennis en knowhow, bijvoorbeeld ook om goed in te schatten wie palliatief is.’

‘Helaas staat hier maar een heel kleine financiering tegenover: een paar eurocenten per dag’, zegt Patrick Vyncke van ­Zorgnet-Icuro. ‘Dat is belachelijk weinig voor zo’n belangrijke opdracht. Die bovendien veel vraagt van het personeel, want elk jaar moeten ze afscheid nemen van één op de drie bewoners.’