Geens: ‘Geen fouten gemaakt bij verlof Herman’
Koen Geens Foto: Isopix

De diensten die zich over het penitentiair verlof van Benjamin Herman hebben gebogen, hebben zijn verlof in eer en geweten toegestaan. Op basis van de informatie die ze ter beschikking hadden, hebben ze de juiste beslissing genomen, zegt minister van Justitie Koen Geens (CD&V) tijdens een vergadering van de Commissie Justitie in de Kamer.

Geens kwam er uitleg geven over de aanslag van vorige week in Luik, waarbij Herman tijdens zijn penitentiair verlof twee politieagentes en een student ombracht. De schutter werd uiteindelijk door de politie uitgeschakeld. Nadien bleek dat hij in de nacht voor de aanslag al een kennis van hem had omgebracht. De aanslag is door Islamitische Staat opgeëist, al is het nog niet zeker dat de dader banden had met de terreurgroep.

'We hebben te maken met een jonge gedetineerde die sinds heel jong drugs gebruikte, met een laag IQ, en die zeer beinvloedbaar was', schetste Geens de situatie. Alle betrokkenen hebben volgens hem hun plicht gedaan. 'Ja, een andere beslissing was mogelijk. Men had aan Herman ook geen uitgaansvergunning kunnen toekennen. Een minister had dat allicht niet gedaan. Maar de administratie heeft dat in eer en geweten wel gedaan.'

De minister besprak tijdens de zitting de voorgeschiedenis van Herman in detail. Hij begon bij 24 april 2010, toen Herman werd opgepakt voor een diefstal met geweld bij een bloemenwinkel. Dat gebeurde nadat hij niet was teruggekomen van een penitentiair verlof tijdens het uitzitten van een eerder opgelopen celstraf. Het leverde hem een extra celstraf op.

'Vijf jaar ononderbroken in cel'

Geens besprak alle aanvragen tot verlof die Hermans advocaat daarna indiende, en hoe die waren beoordeeld. De eerste aanvragen werden ondanks steun van de gevangenisdirectie geweigerd door de centrale administratie. In mei 2015 mocht hij voor het eerst de gevangenis verlaten. ‘Dat was pas nadat hij een volle vijf jaar zonder onderbreking in de gevangenis was opgesloten’, zei Geens. Tot en met oktober van dat jaar werd hem in totaal zes keer toegestaan naar zijn moeder te trekken.

Omdat die verloven steeds goed waren verlopen en hij binnen de gevangenis geen drugs gebruikte, werd hem het systeem van beperkte detentie toegekend, waardoor hij buitenshuis een opleiding kon volgen. Dat ging goed tot januari 2016, wanneer hij zijn opleiding oversloeg zonder zijn begeleiders in te lichten. Omdat hij over een doktersbriefje beschikte, kreeg hij het voordeel van de twijfel.

Een maand later ging het toch fout: eind februari 2016 keerde hij niet meer terug naar de gevangenis, en pleegde hij nieuwe feiten. Zijn celstraf werd opnieuw met een jaar verlengd. Pas in september 2017 kreeg hij opnieuw een uitgaansvergunning. Weliswaar met de bedenking dat zijn toekomstplannen ‘flou’ waren, maar bij zijn tijdelijke verlof waren er nooit problemen, tot zijn moordende raid op 28 mei.

'Tijd was rijp'

‘Dit toont aan dat iedereen zijn verantwoordelijkheid heeft genomen’, zei Geens. ‘Al kan ik me inbeelden dat iemand met dezelfde gegevens een andere beslissing zou hebben genomen.’ De minister merkte op dat ‘de lokale directie doorgaans milder is, en de centrale administratie strenger. Vaak is een lokaal positief advies centraal afgewezen.’ Maar ook de magistratuur vond de tijd rijp om de gedetineerde voor te bereiden op zijn leven na zijn celstraf.

Dat Herman niet op de formele lijst van terreurverdachten stond, verdedigde Geens. ‘Er is geen enkele dienst die op basis van de geringe info over zijn geloofsovertuiging het verantwoord zou hebben gevonden hem op de lijst van terreurverdachten te plaatsen. De summiere gegevens van de chef de garde uit Marche-en-Famenne volstonden niet om hem als geradicaliseerd te beschouwen.’

Volgens Geens zou het een goed idee zijn om één instantie te laten beslissen over het al dan niet toekennen van een verlof. ‘Al ben ik niet zeker dat die beslissingen dan strenger zouden worden’, gaf Geens mee. Hij wijst er ook op dat het gaat om ‘duizenden beslissingen per jaar’. Als de rechters hierover zouden moeten beslissen, zouden ze dan wellicht ook extra middelen nodig hebben.

‘Begeleiding opleggen’

Geens zei nog dat het hem ‘bijzonder stoort’ dat de begeleiding van gevangenen vaak afhangt van hun bereidwilligheid om mee te werken. ‘Dat we mensen niet kunnen opleggen een deradicaliseringstraject te doorlopen, of een opleiding te volgen of werk te aanvaarden, maakt me bang.’ Voorlopig kunnen alleen seksueel delinquenten verplicht worden een traject te doorlopen.

De minister liet uitschijnen dit te willen uitbreiden tot andere criminelen. 'We zouden moeten kunnen zeggen: "Je krijgt geen uitgaansvergunning of penitentair verlof als je niet eerst een behandeling volgt."'

Daarop aansluitend hield Geens ook nog een pleidooi voor meer verpleegkundigen en psychologen in de gevangenis. Die zijn volgens hem nodig om mensen zoals Herman beter te kunnen opvolgen. In ons land krijgen gedetineerde te vaak geen aangepaste zorg, gaf de minister toe.