‘Hier sterf je zonder dat iemand omkijkt’
Foto: *
Op 14 juni 2017 was Kasper Goethals in Londen, na de gruwelijke vuurnacht in de Grenfell Tower. Elf maanden later keert hij voor dS Weekblad terug om met overlevers te praten. ‘We worden uitgespuwd, omdat we arm zijn en op peperdure grond wonen.’

'Er moet dringend iets veranderen in dit land. Je kunt hier keihard werken, en toch genegeerd worden. Of sterven zonder dat iemand omkijkt. Geen enkele verantwoordelijke voor de brand is al in verdenking gesteld.' dS Weekblad trok naar Grenfell Tower in Londen, en vond een buurt die wacht op gerechtigheid. Het volledige verslag leest u zaterdag in dS Weekblad. Hieronder leest u een voorproefje.

De nacht van 13 juni was aangenaam warm, de lucht kleurde donkerblauw. Vanuit zijn appartement op de zestiende verdieping van de Grenfell Tower kon Edward Daffarn (55) de contouren van de Londense skyline nog onderscheiden. Om kwart voor één ging hij naar bed. Hij was bijna in slaap toen het brandalarm van de buren begon te piepen. ‘Iets laten aanbranden, dacht ik.’ Het was ramadan en Daffarns buren aten wel vaker laat. Hij probeerde verder te slapen.

In de brandweerkazerne van North Kensington was intussen, om 00.54 uur, een oproep binnengekomen. ‘Fire, fire!’ Een kapotte koelkast had brand veroorzaakt op de vierde verdieping van de toren. Om 00.56 uur vertrokken twee wagens met loeiende sirenes.

De brandweer hoorde hij niet, maar ‘vier of vijf minuten over één’ werd Daffarn opnieuw gestoord, ditmaal door rumoer op de gang. Dat was ongebruikelijk zo laat. ‘Ik trok de deur open. In plaats van mijn buren zag ik een zwart, bijtend rookgordijn. Mijn hart zonk in mijn schoenen.’

Veiligheidsvoorschriften voor hoge woontorens in Londen adviseren bewoners om natte doeken voor de deur te leggen en te wachten op de brandweer. Het wordt expliciet afgeraden zelf te proberen te ontsnappen, de giftige rook is vaak gevaarlijker dan het vuur. Daffarn wou wachten, maar een vriend belde. ‘Get out! Get out now! Ik wist dat ik meteen moest vertrekken.’

Met een natte handdoek om zijn hoofd gewikkeld, dook hij de gang in. ‘Het was stikdonker. I couldn’t see the end of my nose.’ De nooduitgang bevond zich vijf meter verder. Hij woonde er al zestien jaar en dacht dat hij blindelings de weg zou vinden, maar hij raakte in paniek en verdwaalde. De natte doek viel van zijn hoofd. ‘Ik dacht: hier kom ik niet uit.’

Net toen hij op het punt stond te bezwijken, brak een fel licht door de rook – de helmlamp van een brandweerman. ‘Hij trok me door de nooduitgang en ik heb gerend voor mijn leven.’ Pas aan het lokale sportcentrum, honderd meter verder, draaide hij zich om. ‘Mijn toren was veranderd in een vuurzee.’

De uren daarna waren chaotisch. Een politieman snauwde Daffarn toe dat hij moest vertrekken. Een brandweerman zei dat er bussen zouden komen voor de overlevenden, maar die kwamen niet. ‘Om 2.30 uur riep een ambulancier dat ik naar huis moest gaan.’

De beelden van de brand gingen de wereld rond. Tussen de vijfde en de 24ste verdieping was alles verkoold. Vanaf de tiende waren mensen gestorven. Het duurde nog zes maanden voor het officiële cijfer van 71 slachtoffers bekend was. Tekenend voor het moderne Londen, waar minder dan 45 procent van de inwoners blanke Britten zijn, kwamen de doden van overal.

Zaterdag leest u in dS Weekblad het volledige verslag. 'Het woonblok stond midden in een van de duurste wijken van de stad. Dat was schrikken, voor de bewoners van het rijke Kensington, die in hun glossy tijdschriften vaker lezen over leed aan de andere kant van de wereld dan in hun eigen stad.'