Soorten in de steden worden kleiner
Foto: Johan Eyckens(JEH)

Er zijn niet alleen minder soorten dieren in de stad, ze zijn ook kleiner en met veel minder. Dat blijkt uit een studie van biologen van UC Louvain, UGent, KU Leuven en Universiteit Antwerpen, samen met collega’s van het Koninklijk Instituut voor Natuurwetenschappen in Brussel.

De wetenschappers hebben de effecten van de voortschrijdende verstedelijking bestudeerd op zowel de soortenrijkdom als op de fysionomie van de soorten die in stedelijke context leven.

Voor de studie, die in het wetenschapstijdschrift Nature verscheen, werden dieren bestudeerd uit tien ongewervelde diergroepen, gaande van microscopische raderdiertjes in korstmossen, spinnen, loop- en snuitkevers, tot dagvlinders, nachtvlinders, sprinkhanen en kleine waterdieren als mosselkreeftjes en watervlooien.

Er werden stalen genomen op 81 verschillende sites gespreid over Vlaanderen en Brussel, waarvan de verstedelijkte sites meestal gelegen waren in stadsparken of in waterpartijen dichtbij intensieve bewoning.

‘Bij de studie hebben we zowel de graad van verstedelijking gekwantificeerd als de fragmentatie van het stedelijke groen’, verduidelijkt hoofdauteur en postdoctoraal onderzoeker Thomas Merckx, die samen met professor Hans Van Dyck aan de studie deelnam voor de UC Louvain.

‘We inventariseerden voor elk van de diergroepen het aantal individuen en soorten en vergeleken dat met de toestand in de vrije natuur. Bovendien bepaalden we voor elk van de 702 aangetroffen soorten het formaat.’ Bij het onderzoek werden niet minder dan 95.000 individuen gemeten.

Opwarming

De resultaten zijn opvallend. ‘We zien niet enkel een enorme daling van de soortenrijkdom in de stad - bij sommige diergroepen, zoals de nachtvlinders, registreerden we 83 procent minder soorten dan buiten de stad - ook de absolute aantallen per diergroep dalen soms met bijna 90 procent. Bovendien verschilt in de meeste gevallen het formaat van een gemiddelde soort in de stad substantieel van het gemiddelde formaat in de vrije natuur.’

Op de dagvlinders, de nachtvlinders en de sprinkhanen na, kwam het onderzoek meestal uit op een serieuze verkleining. De oorzaak is de sterkere opwarming in de steden, het zogenaamde urban heat island-effect. ‘In de steden is het gemiddeld een paar graden warmer dan elders en dat zorgt vooral voor kleinere soorten’, zegt Merckx. Kleinere soorten zijn bevoordeeld, omdat ze beter kunnen omgaan met de verhoogde stofwisseling in de warmere omgeving.’

Die verkleining was het opvallendst bij de watervlooien. In het water is het effect van de stedelijke hitte blijkbaar nog sterker. Vlinders, nachtvlinders en sprinkhanen zijn weliswaar zoals veel andere groepen met minder soorten en individuen vertegenwoordigd in de steden, ze bestaan in tegenstelling tot die andere dierengroepen wél uit gemiddeld grotere soorten dan in niet-verstedelijkt gebied.

Bij de meeste van de onderzochte groepen bleken de soorten in steden gemiddeld zestien procent kleiner dan in landelijke gebieden. Dagvlinders, nachtvlinders en sprinkhanen vertoonden een tegengesteld patroon en waren gemiddeld veertien procent groter dan in landelijk gebied.

Vergroening

De studie is van bijzonder belang om de effecten op langere termijn van de klimaatopwarming te voorspellen en te anticiperen. ‘De lichaamsgrootte van de soorten heeft een belangrijke impact op de biologie en op het ecosysteem waarin soorten leven’, aldus Merckx.

‘De verstedelijking neemt overhand toe en we moeten stilaan toch na gaan denken over hoe we de steden voor de dieren, maar ook voor onszelf, leefbaar houden. Het simpelste is in te zetten op vergroening, maar dan wel op een intelligente manier. Veel van onze soorten hebben geen boodschap aan de bomen en planten die in onze parken staan, meestal exoten waar ze niks kunnen mee aanvangen. We moeten meer autochtone soorten aanplanten en de fragmentatie op die manier aanpakken.’