Brussel kapte 20.000 zieke en dode bomen: ‘Onbegrijpelijk’
Foto: Belga

Brussel kapte afgelopen jaren 20.000 bomen, wat de partij Groen! onbegrijpelijk vindt in de strijd voor een betere luchtkwaliteit. Volgens het gewest gaat het slechts om uitdunning.

Het Brusselse gewest kapte tussen 2014 en 2016 meer dan 20.000 bomen op zijn grondgebied. ‘Allicht ligt het aantal nog hoger’, zegt Brussels Parlementslid Annemie Maes (Groen), die de cijfers opvroeg bij de bevoegde kabinetten.

Maes noemt de grootschalige kap ‘niet te begrijpen: terwijl Brusselse kinderen op straat komen om te protesteren tegen de slechte luchtkwaliteit, laat de Brusselse regering gewoon toe dat er tienduizenden bomen worden neergehaald.’

Met 19.439 vergunningen is de overheidsdienst Leefmilieu Brussel de ijverigste bomenkapper van het gewest. Moest die dienst niet net het bos beschermen? ‘Ach, die cijfers’, reageert Frederik Vaes, hoofd departement Bos van Leefmilieu Brussel. ‘Het gaat daarbij vooral om zogeheten dunningen. Op sommige plaatsen in de Brusselse bossen, met het Zoniënwoud als bekendste, verwijderen we bomen om een bepaald natuurdoel te bereiken. Zo kappen we soms beuken. Als we dat niet doen gaan die de concurrerende eiken opeten. Beuken geven namelijk veel schaduw, wat ongunstig is voor de licht minnende eiken, die we willen behouden.’

Geen kaalslag

‘Op andere plaatsen, zoals in parken, moeten we zieke, rotte of dode bomen verwijderen. Maar het gaat nooit om een kaalslag, zoals dat vroeger gebeurde. Veel wandelaars zullen het niet eens merken. Langs de Ring en de E411 moeten we vanwege de verkeersveiligheid soms eens drastischer ingrijpen, dat geef ik toe. Op die manier kappen we jaarlijks ongeveer 8.000 bomen. Geen probleem: er komt jaarlijks ook 15.000 kubieke meter hout bij.’

Het zijn overigens niet altijd jonge boompjes die voor de bijl gaan, soms ook kranige exemplaren van 180 jaar oud.

‘Soms krijgen we het verwijt dat we het doen voor de opbrengst van het hout, maar dat is onzin. Het geld dat het oplevert, verzinkt in het niets bij de natuurlijke en recreatieve waarde van ons bos.’