Je kunt ook praten mét salafisten
Foto: belga
Geen vorm van religie die zo onrustig maakt als het salafisme. Chams Eddine Zaougui, een ongelovige met Tunesische roots, wou weten wie de mensen achter de baarden en de lange gewaden zijn. ‘Als één groep wil dat iedereen is zoals zij, dan zijn het wel de atheïsten.’

Ze dragen lange baarden, gebedsmutsjes en broeken tot boven de enkels. Ze luisteren niet naar muziek. Ze mijden plekken waar alcohol wordt geserveerd. Ze verketteren gematigde moslims. Ze verwerpen de waarden van de Verlichting. En bij elke aanslag in Europa, van de moord op Theo van Gogh in 2004 tot de aanslagen in Brussel op 22 maart 2016, bleek de dader een link te hebben met een salafistisch netwerk.  Chams Eddine Zaougui zocht en vond voor dS Weekblad salafisten om mee te praten. Hieronder leest u alvast een voorproefje.

Farid *, een dertiger met Marokkaanse roots, valt meteen op: hij is geestig, intelligent, welbespraakt, rebels. Niet de eigenschappen die ik met een salafist associeer. Voor hem was het salafisme een fase, van zijn 16de tot zijn 18de. ‘Een periode waarin ik me intens met geloof bezighield. Zo intens dat ik er uiteindelijk de brui aan gaf, zoals een opflakkerend vuur dat uitdooft.’

Toch werpt het verhaal van Farid een licht op de bredere maatschappelijke achtergrond die ook andere jongeren met een migratieachtergrond tot het salafisme drijft. ‘Ik voelde me niet Marokkaans genoeg en ik voelde me niet Belgisch genoeg. Maar mijn omgeving bepaalde niet alleen wat ik níet was, ze bepaalde ook wat ik wél was: een moslim. Daar zorgde 11 september 2001 voor. De terreuraanslagen in de VS hebben van Marokkanen moslims gemaakt. De islam kwam centraal te staan in de politiek. Vóór 11 september had Filip Dewinter het over Marokkanen, daarna alleen nog over de islam.’ Zoals veel jonge Belgische Marokkanen begon Farid aan een zoektocht. Naar wat de islam betekent, naar een identiteit.

‘Als kind van gastarbeiders kreeg ik een islam mee die onduidelijk was. Ik wist niet wat cultuur was, en wat religie. Dus ging ik te rade op het internet. Al snel kreeg ik het gevoel dat er zaken niet klopten. Maar als ik mijn ouders daarop aansprak, zeiden ze dat zij de islam zo hadden meegekregen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn, dacht ik. Je kunt tradities en volksgebruiken toch niet gelijkstellen aan de islam? Wanneer ik hen naar de sharia vroeg (de islamitische wetgeving, red.), zeiden ze: "Dat was vroeger, je kunt die nu niet meer toepassen." Ik vond die houding zo fake. Zo zwak.’

Dat Farid zijn ouders niet als rolmodellen zag, hielp niet. ‘Ze waren laagopgeleid en spraken niet met gezag en vertrouwen over de islam.’ In de moskee kon hij evenmin terecht. De imam kende alleen Arabisch en had weinig affiniteit met de leefwereld van jongeren. De vrijdagpreken, als Farid ze al snapte, gingen over religieuze verhalen, niet over wat de jeugd bezighield.

Terwijl ik met Farid praat, dringt iets tot me door: jongeren die zich in het salafisme verdiepen, zijn niet altijd gehersenspoelde meelopers, zoals het cliché het wil. Vaak zijn het nieuwsgierige tieners die niet klakkeloos aannemen wat hun ouders en imams zeggen. ‘Maar’, zegt Farid, ‘het gevaar is dat je – zodra je in het salafisme zit – je verstand niet meer nodig hebt. Veel salafisten redeneren dat je niet slimmer kunt zijn dan Mohammed of God. En daarmee laat je je kritische zin varen.’

Zaterdag leest u meer over de gesprekken met salafisten in dS Weekblad. ‘Als je jongeren die naar de moskee gaan en een baard hebben, als radicaal bestempelt, moet je niet verbaasd zijn als ze het ook worden’