Miguel Díaz-Canel is de nieuwe president van Cuba. Het parlement in Havana verkoos donderdag Díaz-Canel, tot nog toe vicepresident, als opvolger van Raul Castro. Dat hebben Cubaanse staatsmedia bericht. Daarmee komt na zestig jaar een einde aan het leiderschap van de Castro’s op het eiland. Maar achter de schermen blijft Castro de sterke man.

Een verrassing is zijn aanstelling niet: hij was de enige kandidaat. De verwachting is bovendien dat Raul Castro zeker nog de eerste jaren achter de schermen aan de touwtjes zal blijven trekken. Zeker tot 2021 wil hij nog voorzitter blijven van de machtige communistische partij, waardoor hij zeker meekijkt over de schouder van Díaz-Canel.

De 57-jarige Díaz-Canel behoort tot de post-revolutionaire generatie, maar toch geldt hij als een man van het regime, een trouwe communist die geduldig opklom in de partijgeledingen. Radicale veranderingen hoeven de Cubanen niet meteen te verwachten. Hij blijft achter de Cubaanse revolutie staan, al zegt hij bij zijn aantreden die nog te willen 'perfectioneren': wat moet veranderen, zal hij veranderen. 

Díaz-Canel gaf al meteen na zijn verkiezing aan dat het internationale beleid van zijn land ook niet zal veranderen. Hij is wel bereid tot dialoog met 'degenen die ons als gelijken behandelen', zei hij nog.

Díaz-Canel is gepokt en gemazeld in de communistische partij en gold al lang als de rechterhand van Raul Castro. Na zijn legerdienst maakte de elektronisch ingenieur carrière bij de jongerenafdeling van de partij. Hij was partijchef voor de provincie Villa Clara en minister voor het hoger onderwijs. ‘Kameraad Díaz-Canel is geen parvenu en geen noodoplossing’, zei Raul Castro over zijn opvolger.

Uitdagingen

Díaz-Canel staat als nieuwe president voor grote uitdagingen: de relatie met de Verenigde Staten is sinds het aantreden van Donald Trump duidelijk verslechterd, de economie ligt ook vanwege de zwakheid van bondgenoot Venezuela op apegapen en de sociale spanningen nemen toe.

Ook binnen het partij- en staatsapparaat moet de nieuwe president zich nog bewijzen. In tegenstelling tot zijn voorgangers Fidel en Raul Castro, die het rebellenleger in Cuba destijds naar de zege leidden, beschikt hij niet over de natuurlijke legitimatie van de historische generatie van revolutionairen.