Het Speedy-onderzoek is het eerste systematische onderzoek naar de invloed van verstedelijking op biodiversiteit. De resultaten liggen in lijn met eerdere versnipperde waarnemingen, maar het was het toch wel onverwacht dat alle terrestrische soortengroepen zo sterk beïnvloed werden, aldus Caroline Souffreau van de KU Leuven, project manager voor het project.

Het onderzoek heeft bovendien een voorspellende waarde. Omdat de temperaturen in de stad hoger liggen dan op het platteland, zijn de steden uiterst geschikt om te onderzoeken hoe organismen en gemeenschappen zich in de toekomst mogelijk zullen aanpassen aan de verwachte temperatuurstijging.

Koolmezen in de stad leggen minder eieren, hebben lichtere kuikens en er vliegen minder vogels het nest uit. Mogelijk komt dat omdat er in de stad minder rupsen voorhanden zijn om de jongen te voeden. Meer oude eiken in de stad die veel voedzame rupsen herbergen zouden de stadskoolmezen een handje kunnen helpen. (Onderzoek: Prof. Eric Matthysen en Master student Jacques de Satgé, UA)

Huismussen reageren anders op verstedelijking dan koolmezen. Huismussen in steden zijn lichter en kleiner dan die op het platteland. Hoewel het niet duidelijk is hoe dit komt, is het mogelijk dat er in steden net meer voedsel beschikbaar is voor huismussen, waardoor ze minder vetreserves hoeven aan te leggen (Onderzoek: Prof. Luc Lens en Dr. Noraine Salleh Hudin, UGent)

Nachtvlinders in de stad hebben grotere vleugels dan hun soortgenoten op het platteland. Zo kunnen ze zich makkelijker verplaatsen tussen de versnipperde stukken groen. (Onderzoek: Prof. Hans Van Dyck en Dr. Thomas Merckx, UCL)

De kruisspin bouwt in de stad kleinere maar densere webben in vergelijking met kruisspinnen op het platteland. Met een denser web kunnen ook kleine prooien gevangen worden en kunnen sterke, grote prooien zich minder makkelijk uit het web loswurmen. Stadskruisspinnen leggen ook minder eitjes per vrouwtje en hebben dus minder nakomelingen, waarschijnlijk omdat ze meer energie moeten investeren om webben te bouwen. Onderzoek: (Onderzoek: Prof. Dries Bonte en Dr. Maxime Dahirel, UGent)

Stedelijke Waterjuffers hebben een hoger uithoudingsvermogen bij het vliegen dan waterjuffers op het platteland. Bovendien blijken larven van stedelijke waterjuffers trager te groeien dan plattelandspopulaties. Dat komt vermoedelijk omdat stadsvijvertjes langer warm blijven, waardoor het groeiseizoen langer duurt. (Onderzoek: Prof. Robby Stoks en doctoraatsstudent Nedim Tüzün, KU Leuven)

Watervlooien in de stad kunnen hogere temperaturen aan dan hun soortgenoten op het platteland. Daardoor passen ze zich aan aan het leven in stadsvijvers, die vaak warmer zijn. De onderzochte watervlooien in de stad zijn bovendien kleiner en bevatten meer hemoglobine. (Onderzoek: Prof. Luc De Meester en doctoraatsstudent Kristien Brans, KU Leuven)

Vliegende kevers in de stad krijgen grotere vleugels om zich te verplaatsen tussen hun versnipperde biotopen. Ongevleugelde keversoorten komen er veel minder door dan op het platteland. Er komen in de stad ook meer warmteminnende keversoorten voor, een gevolg van de hogere temperatuur in steden. (Onderzoek: Prof. Frederik Hendrickx en Dr. Elena Piano, KBIN)