'Ik wil niet “die met haar alcoholprobleem” zijn'
Foto: Fred Debrock
‘Mensen maken in hun leven dingen mee.’ Ik voel schroom erover te beginnen, zoveel jaar na datum en als zoveelste in een rijtje pers, maar Tania Van der Sanden haalde het eerder zelf al aan, ‘dat hele alcoholgegeven’. ‘Op zeker ogenblik denk je: het is gepasseerd. Maar dat is het nooit, weet ik intussen. In elk interview komt de vraag: hoe gaat het nu met u? Dus begin ik er meestal zelf over.’
Zaterdag interviewt dS Weekblad actrice Tania Van der Sanden. Jarenlang gaf ze de verhalen en personages van anderen vorm, alsof ze die ter plekke had bedacht, alsof ze ze wás. Nu staat ze voor het eerst als zichzelf op het podium. Of toch niet helemaal? ‘Pas sinds ik geleerd heb open te zijn, weet ik: ieder heeft zijn kruis.’ Lees dit weekend het hele interview, hieronder vindt u al een voorproefje.


Het is ook moeilijk het er níét over te hebben, in een gesprek over leven en werk. Wat u zei: wie u bent, is niet meer wie u was.

‘Je kúnt er niet omheen, en dat hoeft ook niet, ik vind het geen probleem. Ik hoop vooral te laten zien dat je uit die hel kunt raken. Ooit hoorde ik op de radio een vrouw vertellen dat ze ruzie had gehad met haar man, ze was naar het toilet gegaan, had daar in de Dag Allemaal een interview met mij gelezen en gedacht: dit is het moment, ik moet ermee stoppen. Ik wil niet “die met haar alcoholprobleem” zijn, maar als het één iemand helpt, heeft dit verhaal zin.’

Meer dan twintig jaar geleden keek Tania Van der Sanden het monster voor het eerst in de ogen. Ze kreeg haar verslaving onder controle, ging naar de AA, en toen kwamen haar kinderen – twee dochters – en bleef ze almaar vaker weg. ‘Ik dacht dat ik het wel wist – eigenzinnig zijn, hé. Maar nazorg is zo belangrijk. Ik ben hervallen, ben in 2009 in de ontwenningskliniek van Sint-Lucia in Sint-Niklaas opgenomen, maar ook daar ben ik te vroeg vertrokken. Pas toen de psychiater zei: je zou beter een tijd in psychotherapie gaan, is de eerste echte stap gezet. Ik ben er tweeëneenhalve maand residentieel gebleven.’

‘Ik heb er geleerd dat ik veel babbelde maar soms weinig zei. Ik durfde niet naar mezelf te kijken. In de psychotherapie heb ik dat móéten doen. Je leeft er in groep, je wordt sowieso op dingen gewezen. Waarom was ik altijd zo gedienstig? Waarom wou ik voor iedereen goed doen, en vergat ik mezelf? Waarom was ik zo bang om hulp te vragen?’

Precies: waarom?

‘Omdat dat zwak was. Ik vond dat ik alles zelf moest kunnen. Wellicht heeft dat met vroeger te maken, met wat toen – met de beste bedoelingen – is meegegeven: dat ik sterk moest zijn. Terwijl het net van moed getuigt om hulp te vragen. Die therapie heeft deuren geopend waarvan ik niet wist dat ze op slot zaten.’

‘Ik heb nooit gedronken omdat ik het lekker vond. Ik dronk omdat het me rust gaf, moed gaf, omdat ik moe was of net niet kon slapen – elke reden was goed. Door van die alcohol af te gaan, kon ik weer helderder denken. Ik babbel nog altijd veel, maar daar ben ik me nu tenminste van bewust. (lacht) Ik maak graag grappen, ik houd van de kwinkslag in het leven, ik wil dat mijn geliefden het goed hebben, maar ik denk intussen ook aan mezelf. En ik kan naast dat getetter een echt gesprek hebben nu. Ook daar had ik vroeger hard om gelachen: gaan we praten, ja? En dat helpt, zegt u?’

‘Ik ga nog elke maandagavond naar de nazorg in Sint-Lucia, een uurtje met gelijkgestemden – sommige vrienden intussen. In het begin dacht ik: och jongens, dit ga ik niet tot mijn tachtigste blijven doen. Nu denk ik: ’t is te hopen dat ik het kan blijven doen. Ik heb dat nodig: een plek waar ik niets hoef uit te leggen, waar we allemaal anders zijn maar één ding delen. En waar we elkaar raad kunnen geven. Telkens is er wel iets waarvan ik denk: potverdomme, dat heb ik ook gekend, wat zou ik hem of haar kunnen zeggen? In het begin denk je maar aan één iets: ik mag niet, ik mag niet, iedereen mag, maar ik niet.’

U zei ooit dat u zich soms als een kind behandeld voelde.

‘Tja, je bent ook een beetje een kind. Je speelkameraadje wordt je afgepakt, en dat kun je in het begin niet verdragen. Het ís ook erg moeilijk in deze maatschappij. Ge kunt uw kop niet buitensteken, of ge ziet alcohol. Maar daar krijg je tips voor, hoe je de verleiding kunt omzeilen.’

‘Wat is de eerste rayon in de Colruyt? De drank, juist. Dus daar moet ik niet zijn, hé. Ik neem nog altijd meteen de tweede rayon, die van de koffie en de chocola. Er zijn andere wegen om van het station naar huis te gaan dan de weg die ik vroeger altijd nam. Enzovoort. In het begin telde ik op een terrasje, ik keek om me heen en wist meteen: er staan zes pinten en twee Duvels. Daar moet je door. Eerst denk je: ik mag niet meer, later wordt dat: ik wil niet meer, en ik vind het straf dat ik het mezelf hoor zeggen maar nu let ik er zelfs niet meer op. Maar ik blijf alert: ik zal mijn hele leven verslavingsgevoelig zijn.’

Zaterdag haalt de actrice herinneringen op in dS Weekblad: 'Op mijn eindexamen droeg ik een imperméable en schoenen van mijn moeder. Het resultaat heeft ze niet meer gezien: hartader­breuk, patat'.