Kinderen met arme of vreemde ouders hebben meer kans op B- of C-attest
Foto: Belga
Ook al haalt ze dezelfde punten, Samira loopt in het secundair onderwijs veel meer risico op een B- of C-attest dan Laura.

In hun beoordeling van leerlingen laten leerkrachten en klassenraden zich vaak leiden door vooroordelen en stereo­typen. Daardoor hebben arme en allochtone leerlingen het moeilijker. Dat blijkt uit onderzoek van de UGent en KULeuven.

Onderzoekers gingen bij honderden leerkrachten na welk attest ze een bepaalde leerling uit het vierde middelbaar zouden geven. Het ging om fictieve leerlingen die exact dezelfde punten hadden behaald: 44 procent in het totaal en onvoldoendes voor economie (42%), Frans (35%), biologie (32%) en geschiedenis (33%).

Wanneer in het profiel van de leerling de naam Kevin wordt veranderd in Mohammed of bij het beroep van de ouders bankbediende in truckchauffeur, gaat het aantal B- en C-attesten omhoog. Bij armere leerlingen met 14 procent, bij leerlingen met een migratieachtergrond met 12 procent.

Blanke en rijke leerlingen die toch een B-attest krijgen – en dus moeten kiezen tussen zittenblijven of een andere richting volgen – krijgen bovendien veel minder het advies om van school of richting te veranderen. ‘Vooroordelen en stereotypen spelen onbewust nog altijd een belangrijke rol. We hebben lagere verwachtingen van iemand die uit een lager sociaal-economisch milieu komt of een migratieachtergrond heeft’, zegt Piet Van Avermaet van de onderzoeksgroep diversiteit en leren van de UGent. Hij voerde samen met Hilde Vantieghem het onderzoek en stelde vast dat veel leraars er nog altijd van uitgaan dat blanke, rijkere leerlingen zullen voortstuderen en dus zo lang mogelijk in het ASO moeten worden gehouden. ‘Wanneer zij falen, wordt dat gezien als een eenmalig accident de parcours’, zegt Vantieghem.

De onderzoekers en Unia stellen vast dat het in ‘blanke elitescholen’ nog slechter gesteld is. ‘Om hun imago op peil te houden, verwijzen die scholen kinderen van kansengroepen daarom sneller door of weigeren ze hen’, zegt Els Keytsman van het gelijkekansencentrum. Zij noemt het resultaat van het onderzoek een wake-upcall. ‘De meeste leerkrachten hebben het beste voor, maar de manier waarop het onderwijs georganiseerd is, moet anders.’