Rechtbank beveelt vrijlating Soedanese man
De Soedanees zat opgesloten in dit gesloten centrum van Steenokkerzeel. Foto: Photo News

Een Soedanese man moet vrijgelaten worden uit het gesloten centrum waar hij vastzit, zegt de Brusselse raadkamer. De reden: hem uitwijzen mag toch niet.

‘Asielzoekers uit Darfur, Zuid-Kordofan en de Blauwe Nijl (in Soedan, red.) riskeren vervolging vanwege hun niet-Arabische etnie en afkomst. Daardoor krijgen zij automatisch een erkenning als vluchteling.’ Dat had het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) in oktober vorig jaar geschreven in een nota aan staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA).

De advocaat van een 25-jarige Soedanese man, afkomstig uit een boerenfamilie uit Zuid-Kordofan, greep de nota aan om bij de Brusselse raadkamer de vrijlating van zijn cliënt te vragen uit het gesloten centrum van Steenokkerzeel, waar hij opgesloten zat in afwachting van een uitwijzing. De argumentatie luidde dat de uitwijzing, gebaseerd op de recente nota van het CGVS, op korte termijn toch niet zou kunnen plaatsvinden.

De advocaat verwees ook naar het rapport van het Tahrir-instituut, waarin Soedanese mannen die naar hun land waren teruggestuurd getuigden over foltering en mishandeling. De Brusselse raadkamer is de argumentatie van de advocaat gevolgd en vraagt de vrijlating van de man, meldt RTBF nu.

Foltering

De overheid heeft nog 24 uur de tijd om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de raadkamer. Het kabinet-Francken laat weten het arrest eerst te zullen analyseren alvorens meer commentaar te geven.

De uitspraak doet denken aan een gelijkaardig oordeel van het Brusselse hof van beroep, vorige week. Dat bevestigde een eerdere uitspraak van de raadkamer, die stelde dat een andere Soedanese migrant eveneens moest vrijgelaten worden, toen uit het gesloten centrum van Vottem.

In zijn arrest schreef het hof dat de uitwijzing niet kon plaatsvinden omdat de overheid onvoldoende garanties zou hebben dat de man niet zou terechtkomen in een land ‘waar hij een reëel risico loopt om onderworpen te worden aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens’. Met andere woorden: hij riskeerde foltering en onmenselijke behandeling.

Het kabinet van staatssecretaris Francken ging tegen die beslissing in cassatieberoep, met als argument dat er in ons land vooralsnog ‘geen uniforme rechtspraak’ over dit soort zaken bestaat.