Januari is al jaren een woelige maand in Tunesië, ditmaal gooit een nieuw budgetplan van de regering olie op het vuur. Europa kan de situatie maar beter op de voet volgen, want veel jongeren denken eraan te emigreren.

Maandag werd in Tunesië in twaalf steden betoogd en kwam een man van 45 om nog onduidelijke redenen om het leven. Dinsdag volgden er opvolgingsprotesten in meerdere steden, waarbij onder meer openbare gebouwen en winkels geplunderd werden. In de nacht van dinsdag op woensdag werden molotovcocktails gegooid naar de bekende Ghriba-synagoge op Djerba, en de campagne 'Fech Nestanoua' ('Waarop wachten we?') kondigt alvast een nieuwe grote protestdag aan op vrijdag. De sfeer is dus erg grimmig.

Vooral jongeren, ook veel studenten (die vaak belanden in de status van zogenaamde 'gediplomeerde werklozen'), zijn zeven jaar na de revolutie van 2011 ontevreden. Er is de moeilijke economische situatie die al teruggaat tot de jaren van de dictatuur. Het toerisme kreeg klappen door de twee gruwelijke aanslagen op het strand van Sousse en het Bardo-museum in Tunis in 2015. En Tunesië, dat zowel weinig grondstoffen als een behoorlijk hoog opgeleide bevolking heeft, heeft dus geld nodig.

Tunesië, startpunt van de Arabische Lente

Op 14 januari 2011 dwong een woedende menigte de Tunesische dictator Zine El Abidine Ben Ali op de vlucht. Het geslaagde volksprotest was de eerste dominosteen van de Arabische revoluties. Het vuur sloeg daarna over op Egypte, waar ook Hosni Moebarak moest vertrekken. Moammar Kadhafi, in Libië, werd zelfs gelyncht. Tot in Irak, Jemen en Jordanië kwamen betogers op straat, en in Syrië brak een verscheurende burgeroorlog uit.

Vorig jaar sloot de regering een akkoord met het Internationaal Muntfonds voor een lening van zo'n 2,3 miljard euro, in ruil voor economische hervormingen. De regering legt de nieuwe besparingsmaatregelen - van de prijsstijging van benzine via hogere taksen op auto's en duurder gsm- en internetgebruik - uit als een onderdeel van die hervormingen. Voor veel Tunesiërs is dat de druppel die de emmer doet overlopen. Ze beschuldigen de regering er ook van te veel in het vaarwater van het oude dictatoriale regime van Ben Ali te zeilen en de corruptie onvoldoende aan te pakken.

Massale emigratie?

Die regering, gevormd na de eerste democratische parlementsverkiezingen in 2014, is een meerpartijenkabinet van zowel onafhankelijken, de seculiere partij Nida Tounes (de grootste partij in die verkiezingen) en de gematigd-islamistische Ennahda. Het protest tegen de regeringsmaatregelen wordt gevoerd door onder meer de linkse oppositiepartij Populair Front, de in Tunesië traditioneel machtige vakbond UGTT, en ook door duizenden partijloze Tunesiërs.

In het algemeen wordt Tunesië geroemd als tot nog toe enige succesvol democratisch experiment na de Arabische revoluties. Maar het wordt afwachten hoe de regering nu verder omgaat met de protesten - olie op het vuur of olie op de golven? Uit peilingen blijkt steeds weer dat de Tunesiërs niet tegen hun democratie zijn, maar wel een betere kwaliteit van hun bestuur verwachten en vooral economische vooruitgang willen zien. Volgens schokkende cijfers van het academisch onderzoeksproject Arab Barometer denkt liefst de helft van de Tunesische jongeren tussen 18 en 24 jaar erover te emigreren. Ook Europa kan dus maar beter de situatie op de voet volgen.