Bijen gaan luchtvervuiling opsporen in Brussel
Foto: IF

Aan de hand van de analyse van honing kunnen luchtvervuiling en ook de bronnen van die luchtvervuiling worden opgespoord, zo bleek uit een proefproject in het Canadese Vancouver. Ook Brussel springt op de kar. ‘De eerste stalen zijn al genomen en de resultaten zijn verrassend.’

Bijen produceren honing. Ze foerageren daartoe in een straal van maximaal drie kilometer rond hun bijenkorf. Op de bloemen die ze bezoeken ligt stof uit de stad, dat door verkeer, verwarming, industrie en andere menselijke maar ook natuurlijke activiteiten geproduceerd wordt. ‘Dat stof bevat ook de markers van de vervuilingsbron waarvan het afkomstig is’, zegt onderzoeker Dominique Weis.

Fingerprints

De Brusselaar, eerder werkzaam als FNRS-vorser aan de ULB en nu directeur van het Pacific Centre for Isotopic and Geochemical Research in Vancouver, toonde aan dat honing sporen bevat (in erg kleine en ongevaarlijke hoeveelheden) van zowat elke vervuilingsbron in de buurt van de bijenkorf.

‘Naargelang de vervuilingsbron zitten er telkens andere en minuscule hoeveelheden in van zeer specifieke isotopen van zware metalen zoals lood, zink, koper en cadmium, en van verbindingen als arsenicum. Die zijn zo uniek dat ze ons precies kunnen vertellen waar een bepaalde vervuilende stof vandaan komt. Bovendien kunnen we via die isotopenanalyse ook achterhalen hoe het met de bezochte planten gesteld is, of ze in goede omstandigheden groeien en bloeien en in welk soort bodem ze staan.’

Bijen gaan luchtvervuiling opsporen in Brussel

Brusselse bijen

De methode is zo veelbelovend, dat nu ook bijenprojecten worden opgestart in Brussel, Parijs, Grenoble en enkele andere grotere centrumsteden. ‘In Brussel, waar de eerste stalen al genomen zijn en waar professor Philippe Claeys van de VUB het onderzoek zal leiden, staan heel veel bijenkorven, meestal in het kader van stadslandbouwprojecten of in de vele stadstuinen die de stad rijk is’, zegt Weis. ‘We hebben al zeer voorlopige resultaten die ronduit verrassend zijn. Maar ze zullen pas over een jaar, als we voldoende data hebben, gepubliceerd worden.’