Geen Latijn of wetenschappen? Leerling voelt zich al mislukt
Eerst Latijn proberen, en pas als dat niet lukt iets anders doen: dat is nog altijd de norm. Foto: Jimmy Kets
Veel leerlingen zijn er helemaal van doordrongen dat Latijn of wetenschappen de beste studiekeuze zijn. Wie in een minder prestigieuze richting start, voelt zich al voor een deel mislukt.

Eerst Latijn proberen of een wetenschappelijke richting: dat zijn de opleidingen die je moet volgen. Als het daar niet lukt, kan je nog altijd afzakken naar een technische richting of uiteindelijk het beroepsonderwijs.

Ons onderwijs wordt helemaal getekend door dat ‘watervalprincipe’. Ouders, leerkrachten en leerlingen maken nog altijd het onderscheid tussen ‘hogere’ en ‘lagere’ richtingen, en spreken consequent over 'afzakken'. En dat ondanks verwoede pogingen van scholen en beleidsmakers om de troeven van de 'lagere richtingen' te benadrukken. Zelfs de brede eerste graad, waarin leerlingen zich niet meteen moeten specialiseren, leidt op veel scholen tot duidelijk te onderscheiden studiegroepen.

Dat blijkt uit het grootschalige Transbaso-onderzoeksproject van de UGent, de VUB, de U Antwerpen, de AP Hogeschool en de HO Gent. Meer dan drieduizend leerlingen op 36 scholen in Antwerpen en Gent zijn ondervraagd over hun overgang van het basis- naar het secundair onderwijs. Ook leerkrachten en ouders zijn ondervraagd. De resultaten van het onderzoeksproject worden vandaag voorgesteld.

‘De interesses van leerlingen spelen nauwelijks een rol bij de overgang’, zegt onderzoekscoördinator Simon Boone (VUB). ‘Er wordt vooral gekeken naar de prestaties voor twee vakken: wiskunde en Nederlands. Wie daarop het sterkst presteert, stroomt doorgaans door naar Latijn. Wie gemiddeld tot iets minder goed scoort, naar techniek of kunst. Wie echt problemen heeft met de leerstof, start in de B-stroom.’

Strenge leerkrachten

Opvallend: wie niet start in de geprezen richtingen vertoont een lagere betrokkenheid bij de school en heeft meer het gevoel dat onderwijs niets voor hen is. Dat gevoel is al in het basisonderwijs ontstaan. ‘Die leerlingen voelen zich al mislukt nog voor ze goed en wel aan het secundair onderwijs begonnen zijn’, zegt Boone. ‘Zij maken veel meer kans om ongekwalificeerd uit te stromen.’

Leerlingen beslissen zelf mee over welke richting ze willen volgen. Maar hun kennis over de te volgen richting is beperkt en oppervlakkig. ‘Zullen de leerkrachten streng zijn? Zal ik er vrienden maken? Dat zijn de vragen die ze zich stellen. Over de consequentie van hun keuze wordt niet doorgedacht. Ze staan ook sterk onder invloed van wat hun ouders of leerkrachten zeggen en dat durven al eens stereotiepe denkbeelden te zijn.’

Geen beterschap

Leerlingen uit gezinnen met een lagere sociaaleconomische status belanden bij even goede prestaties toch minder vaak in Latijn of Moderne als leerlingen uit een begoed milieu, leert het onderzoek nog. Scholen adviseren ze ook minder vaak om voor een theoretische opleiding te kiezen.

Volgens Boone is de structuur van ons onderwijs te complex. ‘Voor ouders is het echt niet evident om een goed zicht te krijgen op alle opties.’ Van de hervorming van het secundair onderwijs ‘verwacht hij niet veel beterschap’.