Gatz en N-VA twisten over geld voor Brussels Citroënproject
Foto: Photo News

Karl Vanlouwe (N-VA) wil niet dat Sven Gatz de komende drie jaar 250.000 euro investeert in een tijdelijke programmatie voor de Citroën-site. ‘Vanlouwe slaat de bal mis.’

Mag of moet Vlaanderen investeren in de Citroënsite in Brussel, aan het Kanaal? Daarover zijn minister van Cultuur en Brusselse Aangelegenheden Sven Gatz (Open VLD) en Vlaams parlementslid Karl Vanlouwe (N-VA) het grondig oneens. Op de plaats waar vandaag de Citroëngarage staat, plant het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de bouw van een grote site met plaats voor een museum en zalen voor multidisciplinair gebruik. Een publieke ruimte voor start-ups en grote Brusselse cultuurspelers.

‘Nu Citroën wegtrekt tegen eind februari, wil Brussel voorkomen dat de site vandalen aantrekt en verkommert’, legt Sven Gatz uit. ‘Daarom wil het Gewest er al een culturele dynamiek op gang trekken met een tijdelijke programmatie. De vraag komt nu om mee te investeren, en ik ben daar principieel mee akkoord. Net als onze Franstalige collega’s.’

Gatz wacht nog op de concrete programmatie en zal erop toezien dat er genoeg Brusselse organisaties betrokken worden. Maar als dat snor zit, zal de Vlaamse Gemeenschap drie jaar lang 250.000 euro bijdragen.

‘Schimmig’

Dat zint de N-VA niet. ‘Het kan niet zijn dat Vlaanderen geld steekt in een project dat baadt in schimmige constructies en niet-transparante besluitvorming. We vragen daarom met aandrang aan minister Gatz om zijn beslissing te herzien’, zegt parlementslid Vanlouwe in een persmededeling. Daarmee verwijst hij naar het voornemen van de Brusselse regering om de kabinetschef van Rudi Vervoort, Yves Goldstein, directeur te maken van het museum.

Gatz begrijpt de kritiek op het gebrek aan transparantie, maar wil het kind niet met het badwater weggooien. ‘Meedoen aan een project om een kankerplek in de stad te vermijden, ik zie niet in wat er mis mee is.’ Dat de Brusselse regering helemaal niet bevoegd is om een cultureel project met internationale uitstraling te voltrekken, zoals N-VA opwerpt, vindt Gatz niet de essentie. ‘Dat is een politiek-juridische benadering van het dossier. Ik verkies om het inhoudelijke debat aan te gaan.’