Insectenpopulaties kelderen
Foto: Dieter Telemans
Het aantal insecten in Duitse natuurgebieden neemt in razend tempo af, en er is geen reden om aan te nemen dat de situatie in België anders is.

Er vindt een ecologische ramp plaats en iedereen kan het zien. We zijn omringd door almaar minder vliegen, muggen, vlinders. Moest je in de jaren tachtig nog bij elke tankbeurt de aangekoekte insecten van je autoruit afschrobben, nu kun je heel Frankrijk doorkruisen zonder een vuiltje te bespeuren. ‘Entomologen spreken al over het “windshield phenomenon”’, zei vlinderexpert Thomas Merckx van de UCL vorige maand in deze krant.

Maar hard wetenschappelijk bewijs ontbrak. Tot deze week. Duitse en Nederlandse onderzoekers publiceerden in het tijdschrift PLOS ONE de resultaten van bijna drie decennia veldwerk. In 1989 begonnen amateurentomologen van de Duitse Krefeld Vereniging insecten te vangen met speciale vallen in natuurgebieden in het westen van Duitsland. In de vallen komen nu driekwart minder insecten terecht (gemeten in massa) dan bij de start van de studie. 

Amateurs
In 2013 trokken de amateurs al aan de bel. Tot opschudding leidde dat toen niet. De insectenvorsers waren in het wereldje gerespecteerd, maar ja, het waren wel amateurs. Wie zei dat de metingen telkens op exact dezelfde manier waren uitgevoerd? En was er wel gecorrigeerd voor seizoenseffecten?

Maar het veldwerk was accuraat, blijkt nu. ‘Je kunt je bijna geen beter databestand voorstellen, het is pure Deutsche Gründlichkeit’, zegt statisticus Caspar Hallmann van de Radboud Universiteit, die de gegevens analyseerde en medeauteur is van het PLOS ONE-artikel. 

De onderzoekers spreken over een ecologische ramp. Hallmann: ‘En wat het extra schrijnend maakt, is dat deze achteruitgang is geconstateerd in natuurgebieden. Buiten die gebieden verwacht je een nog grotere teruggang.’
Het zit het in België? ‘Gegevens over insectenaantallen in ons land hebben we niet’, zegt Wim Veraghtert van Natuurpunt. ‘Maar we hebben geen reden om aan te nemen dat het hier anders is. Het is zorgwekkend. Insecten zijn belangrijk voor de bestuiving van planten en vormen de belangrijkste voedselbron voor veel vogels en vleermuizen.’ 

Hoe is het mogelijk dat deze ineenstorting van insectenpopulaties zich onder de radar van de wetenschap heeft kunnen voltrekken? ‘Het Duits-Nederlands onderzoek heeft ons op een hiaat in onze werkwijze gewezen’, zegt de Belgische insectenexpert. ‘We richten ons van oudsher op de zeldzame en goed herkenbare soorten, zoals dagvlinders. De verspreiding van die soorten houden we nauwgezet bij. Naar de totale insectenmassa hebben we nooit gekeken.’
Over de verklaring voor de sterke achteruitgang zijn entomologen nu druk aan het speculeren. Natuurgebieden zijn klein en versnipperd. Dat zou een mogelijke verklaring kunnen zijn.

Pesticiden
Een deel van de insecten zit gevangen in kleine natuurgebiedjes, ingeklemd tussen agrarische gebieden’, zegt Veraghtert. ‘Er vindt te weinig genetische uitwisseling tussen die dieren plaats. Je krijgt inteelt en daardoor een verzwakking van de populaties.’ 
Veraghtert wijst ook met een beschuldigende vinger naar de intensieve landbouw. Pesticiden zouden funest zijn voor de dieren. En door de bemesting van de grond gedijen veel bloemsoorten waar insecten van afhankelijk zijn, minder goed. 

Tot overmaat van ramp kunnen insecten die van het ene natuurgebied naar het ­andere vliegen, ook nauwelijks nectar ­bijtanken in stedelijk gebied. ‘Veel mensen houden er aangeharkte tuintjes op na, met gladgeschoren hagen en kiezels. Acht ­procent van Vlaanderen bestaat uit tuin. Insecten hebben er bijna niets aan. Het zou helpen als mensen meer wilde bloemen zouden zaaien.’
Chris van Swaay, van De Vlinder­stichting in Nederland, ziet dat de vlinderaantallen in Holland op ongeveer vergelijkbare wijze kelderen als de insecten bij de oosterburen. ‘Onze tellingen tonen een teruggang van 45 procent sinds 1992.’

Volgens Van Swaay zien we nu het staartje van een proces dat in de jaren vijftig in gang is gezet. ‘Tot de Tweede Wereldoorlog werd de landbouw in West Europa bestierd door keuterboertjes. In de jaren vijftig kwam de ruilverkaveling op gang. Slootjes en bermen verdwenen.’ 

‘De intensivering kwam in de jaren ­zestig helemaal op stoom, met grootschalig gebruik van pesticiden en mest. Het heeft geleid tot monotone graslanden in België en Nederland; woestijnen voor insecten. Zag je twintig jaar geleden twee keer zoveel insecten, het zou me niet verbazen als het er in 1950 tien kaar zoveel waren.’