9 op 10 Brusselse leefloners van buitenlandse komaf
Foto: Photo News
Het gros van de leefloners in ons land is van niet-Belgische origine. Een gevolg van hun gebrekkige kansen op de arbeidsmarkt.

Het zijn cijfers die goed uit elkaar moeten worden gehouden. Drie op de tien leefloners in België hebben niet de Belgische nationaliteit. Maar zeker zeven op de tien leefloners zijn niet van Belgische origine. 

Die categorie omvat naast de buitenlanders ook Belgen die met een andere nationaliteit geboren zijn of van wie een van de ouders een andere nationaliteit had. Eerste én tweede generatie migranten dus.

Ook armoedespecialist Bea Cantillon (UA) haalde beide concepten door elkaar toen ze een rechtzetting vroeg van een artikel over de kwestie in de krant. Maar wat afgelopen maandag in De Standaard stond, klopt wel degelijk: zeventig procent van de leefloners hebben een recente migratieachtergrond. Of dat is toch het laatst beschikbare cijfer voor België, uit de doctoraatsstudie van Sarah Carpentier (UCL). Het geeft de situatie weer in 2004-2005. 

De kans is groot dat het percentage ondertussen is gestegen. Voor Vlaanderen en Brussel bestaan er gedetailleerde tabellen tot begin 2015, dankzij de Vlaamse Integratiemonitor. Volgens die cijfers is 80 procent van de leefloonpopulatie intussen van buitenlandse komaf, waaronder 10,7 procent met roots elders in Europa en 70 procent die van buiten de Europese Unie afkomstig is.

In Brussel loopt het aandeel zelfs op tot 90 procent, in Sint-Jans-Molenbeek zijn bijna alle leefloners van buitenlandse komaf. Het doet Vlaams Belang-lid Hans Verreyt, die de cijfers ook reconstrueerde, besluiten dat de situatie nog ‘veel extremer’ is.

Onderschatting

Cantillon bevestigt: ‘Voor heel België hebben we niet zulke recente cijfers. Maar zeventig procent is ondertussen eerder een onderschatting dan een overschatting’. 

Het leefloon krijgt door deze sociologische verschuivingen een andere functie, zegt armoede-onderzoeker Wim Van Lancker (KU Leuven). ‘Vroeger was het leefloon vooral het allerlaatste vangnet voor Belgen. Voor nieuwkomers is het vaak hun eerste opstap.’ 

Te weinig begeleiding

De volgende stap zetten, blijkt niet evident. ‘We zien dat allochtonen vaak sneller dan autochtonen de bijstand verlaten, maar ze keren ook sneller terug’, stelt Marjolijn De Wilde (UA), die onderzoek doet naar OCWM’s en  bijstand. ‘Ze belanden in precaire arbeidsomstandigheden waarbij ze te weinig sociale rechten opbouwen. Allochtonen volgen ook minder vaak een activeringstraject bij OCMW’s.’

Carpentier nuanceert: 'We zien dat personen met een migratie-achtergrond doorgaans een langere duur hebben in de bijstand, maar niet-Europese migranten worden niet bijstandsafhankelijk. Het is niet zo dat ze een lagere kans hebben om uit te stromen uit de bijstand als ze langer in de bijstand blijven.' Maar Carpentier bevestigt dat migranten inderdaad vaker terugstromen naar bijstand, vooral omdat ze in kortdurende jobs werken.

De leeflooncijfers zijn vanuit dat perspectief bekeken een neveneffect van de zwakkere arbeidsmarktparticipatie van Belgen met een migratieachtergrond. ‘En die is dan weer gelinkt aan een waaier aan problemen zoals gebrekkige scholing, te weinig kwalificaties, een te gesloten arbeidsmarkt, discriminatie, enzovoort,’ zo vult Cantillon aan.

 OCMW’s proberen die problemen met maatwerk op te lossen, maar volgens De Wilde is er ‘massaal te weinig personeel’ om die job naar behoren te doen. ‘Er kruipt zoveel tijd in de administratie dat er te weinig overblijft voor de begeleiding zelf.’

Bevoegd staatssecretaris Zuhal Demir (N-VA) wil de OCMW’s versterken voor hun taak, meldde ze maandag nog in De Afspraak. ‘Het gaat vaak over mensen die het niet alleen moeilijk hebben op de arbeidsmarkt, maar ook kampen met emotionele en psychologische problemen. Dat vraagt om een totaalaanpak’. Demir heeft hiervoor 12,5 miljoen euro extra vrijgemaakt.