‘Als De Block niets doet, is het afgelopen met De Lijn’
Foto: BELGAIMAGE
Een jaarlijkse besparing van 18 miljoen euro en mogelijk zelfs haar toekomst als overheidsbedrijf: dat is de inzet van een rechtszaak waarmee De Lijn federaal minister Maggie De Block tot actie wil dwingen.

De Lijn pikt het niet langer. Terwijl zowel haar Waalse tegenhanger TEC als de Brusselse MIVB, maar ook private vervoersmaatschappijen al twee jaar lang genieten van een jaarlijkse besparing van tot miljoenen euro’s aan loonkosten, ziet de Vlaamse openbaarvervoermaatschappij die aan haar neus voorbijgaan.

De reden is te vinden bij de federale taxshift. Die werd twee jaar geleden goedgekeurd en voorzag onder meer in een daling van de bijdrage die bedrijven aan de sociale zekerheid moeten betalen van 33 naar 25 procent. Cruciale voorwaarde om daarvan te kunnen genieten, is dat het bedrijf volledig onder de private regeling voor de RSZ valt. En dat gaat niet op voor De Lijn.

‘Om historische redenen mislopen wij jaarlijks een zeer noodzakelijke besparing’, zegt directeur-generaal van De Lijn Roger Kesteloot. Tegen het einde van dit jaar loopt het nadeel op tot 36 miljoen euro: meer dan de helft van de totale besparing die De Lijn tijdens deze legislatuur moet realiseren.

De sleutel is in handen van federaal minister Maggie De Block (Open VLD),  die verantwoordelijk is voor de RSZ. ‘Zij kan hier via een simpele aanpassing - ons schrappen op de lijst van een KB uit 1970 - een mouw aan passen’, zegt Kesteloot.

Dat zegt ook Vlaams  minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA), die De Block al meermaals vroeg om actie te ondernemen, telkens zonder succes. Daarom gaf hij De Lijn nu groen licht om een rechtszaak aan te spannen tegen de federale overheid. ‘Ik snap dat het moeilijk is voor minister De Block om 18 miljoen euro af te staan’, zegt Weyts. ‘Maar wij kunnen  in deze enkel aandringen op een gelijke behandeling.’

Laatste obstakel

Centraal in het juridische dossier van De Lijn  staat ‘de vaststelling dat De Block in het verleden wel al gelijkaardige aanpassingen doorvoerde ten voordele  van de regionale luchthavens van Luik en Charleroi en het Formule 1-circuit in Francorchamps’.
Volgens De Block zijn er cruciale verschillen. ‘Die acties voor de regionale luchthavens  en het F1-circuit betroffen louter technisch-juridische aanpassingen. Zij genoten ook voor de taxshift al een lastenverlaging. Voor De Lijn is de situatie anders: zij heeft nog nooit van de structurele lastenverlaging genoten omdat ze niet onder het toepassingsgebied valt. En de taxshift had nooit tot doel dat toepassingsgebied aan te passen.’

Volgens Joris Vandenbroucke, SP.A-fractieleider in het Vlaams Parlement, staat met deze rechtszaak de toekomst van het Vlaamse openbaar vervoer op het spel. ‘Als De Block niets doet, is het gedaan met De Lijn’, zegt hij.

In 2020 loopt het beheerscontract tussen De Lijn en de Vlaamse regering af. Er wacht het bedrijf dan een toetsing aan concurrenten uit de privésector. ‘Deze loonkostenhandicap hangt als een molensteen rond de nek van De Lijn. Zolang hij niet verdwijnt, zal het overheidsbedrijf de strijd tegen de privésector nooit kunnen winnen.’

Vandenbroucke suggereert dat minister De Block dat maar al te goed weet: ‘de liberalen zien hierin een weg om hun privatiseringsagenda van ons openbaar vervoer door te drukken. De Block is het laatste obstakel dat De Lijn in de weg staat om de benchmark met de privé te doorstaan, maar ze wil van geen wijken weten.’