We geven nergens meer aan uit dan aan wonen
De FOD Economie meet waaraan we ons geld uitgeven. Foto: Photo News

Vlamingen geven meer uit aan etentjes op restaurant dan Franstaligen. En nergens wordt minder geld aan vervoer besteed dan in Brussel.

De jaarlijkse inkijk in het uitgavenpatroon van de Belgen leert dat een gemiddeld huishouden vorig jaar 34.167 euro besteedde. Dat blijkt uit de huishoudbudgetenquête, een grootscheeps onderzoek naar de bestedingen van de Belgen, dat jaarlijks wordt uitgevoerd door de FOD Economie.

Achter dat gemiddelde gaan heel wat variaties schuil. Zo blijken de drie landsdelen er elk hun eigen specifieke uitgavenpatroon op na te houden. Brusselaars geven meer uit aan hun woning, wat logisch is gezien de hoge prijzen voor vastgoed in de hoofdstad. Ook aan de aanschaf van voeding en drank besteden ze wat meer dan de Vlamingen en de Walen. Maar de Vlamingen geven dan weer meer geld uit aan meubels, en ook aan horeca-bezoek. Op dit vlak is het verschil aanzienlijk: in Vlaanderen vloeit 7,1 procent van het huishoudbudget naar café- en restaurantbezoek, in Wallonië is dat maar 5 procent. Brussel zit ertussenin met 6,7 procent.

Ook de uitgaven aan energie verschillen aanzienlijk. Walen besteden hieraan het meest: 5,7 procent van hun totale uitgaven. Voor Vlamingen is dat 4,8 procent, voor Brusselaars maar 4,1 procent. Ook qua transportuitgaven zijn de Walen koploper: ze besteden daaraan maar liefst 50 procent meer dan de Brusselaars. Dat komt doordat die laatsten veel minder vaak een auto hebben. In de hoofdstad beschikt maar 53 procent van de huishoudens over een eigen wagen. In Vlaanderen is dat 86 procent en in Wallonië 85 procent. Ook de verspreiding van was- en vaatwasmachines ligt in de hoofdstad aanzienlijk lager dan in de andere twee landsgedeelten. Het hoge percentage eenpersoonshuishoudens heeft daar misschien mee te maken.

Nog een opmerkelijk verschil: Walen hebben vaker een hond of een kat in huis dan Vlamingen. De katten zijn het populairst: ruim één op de drie van de Waalse huishoudens heeft er een, tegen ruim een kwart van de Vlaamse gezinnen.

Van alle uitgavencategorieën gaat het meeste geld naar wonen: 36 procent. Daarna komen voeding en drank (13 procent) en transport (12 procent). Aan gezondheid (5 procent) geven we meer uit dan aan kleding en schoenen (4 procent), maar minder dan aan horecabezoek (6 procent).