Lichaam belangrijker dan geloof: ritueel besnijden is aantasting fysieke integriteit
Foto: BELGAIMAGE / HOLLANDSE HOOGTE
Het besnijden van jongens als religieus ritueel is een aantasting van hun fysieke integriteit. Dat heeft het Comité voor Bio-Ethiek na drie jaar overleg beslist.

Het Belgisch Raad­gevend Comité voor Bio-Ethiek ontving begin 2014 een vraag van enkele artsen uit de Brusselse Iris Ziekenhuizen Zuid. Of het wel correct was dat ze rituele besnijdenissen bij minderjarige jongens uitvoerden? Tenslotte ging het om een onomkeerbare ingreep zonder ­medische noodzaak, waarbij de voorhuid van kinderen wordt weggesneden.

De leden van het Comité waren zich bewust van het delicate karakter van de vraag, vanwege de religieuze en culturele aspecten van besnijdenis, en bogen zich ruim drie jaar lang over hun advies. Gisteren stelden ze het voor.

‘Je zit met een bijzonder moeilijke afweging’, zegt voorzitter Paul Schotsmans (KU Leuven). ‘Enerzijds is er de godsdienstvrijheid die zegt dat elke gelovige vrij is om zijn geloof te belijden. Indirect betekent dit dat een ouder mag beslissen om zijn kind om religieuze redenen ritueel te besnijden.’ Dat is zo binnen het jodendom en de islam.

Maar tegenover godsdienstvrijheid staat een ander recht, namelijk dat van de fysieke integriteit van het kind. In het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind staat dat kinderen beschermd moeten worden tegen ­alle vormen van – onder meer – lichamelijk of geestelijk letsel.

‘Aangezien een besnijdenis vrij radicaal want onomkeerbaar is, vinden we dat de fysieke integriteit van het kind voorrang heeft op de geloofsovertuiging van de ouders’, zegt covoorzitster Marie-Geneviève Pinsart (ULB). ‘We verkiezen dat het kind meerderjarig is, zodat het die beslissing zelf kan nemen.’ Daarmee volgt het Comité de Raad van Europa, die al in 2013 een (niet-bindende) resolutie aannam waarin lidstaten het advies kregen om rituele besnijdenis van jongens niet zomaar toe te staan. Toch niet tot het kind oud genoeg is om erover mee te praten.

Doopwater

‘Daarom willen we voorstellen dat er binnen de geloofsgemeenschappen wordt nagedacht hoe we de controverse kunnen overstijgen’, zegt Pinsart. ‘Het zou zinvol zijn om te streven naar een symbolisch ritueel, waarbij er dus niet in het vlees gesneden hoeft te worden. Denk aan het christelijke doopritueel waarbij de gelovige met doopwater wordt overgoten of erin wordt ondergedompeld.’

Het Comité boog zich ook over de vraag of het Riziv in de toekomst nog moet instaan voor de terugbetaling van een rituele besnijdenis. Daar waren de leden het unaniem over eens: de kosten van besnijdenissen om niet-medische redenen mogen niet afgewenteld worden op de gemeenschap.

Het advies van het Belgisch Raad­gevend Comité voor Bio-Ethiek is niet bindend, kan dus geen praktijk verbieden en is in de eerste plaats een aanbeveling voor artsen en beleidsmakers. Herman Nys, directeur van het Centrum voor Biomedische Ethiek en Recht (KU Leuven), trok vijf jaar geleden echter na wat de impact ervan is op de biomedische wetgeving. Op basis van 49 adviezen besloot hij dat die er wel degelijk is: soms subtiel, maar evengoed erg uitgesproken, zoals bij het formuleren van onder meer de euthanasiewet en de embryowet.