Koopkracht blijft dalen sinds 2009
Foto: pn
De reële lonen in Europa stijgen dit jaar met 0,4%, terwijl de koopkracht van Belgische werknemers met 0,3% daalt. Sinds 2009 loopt de achteruitgang op tot 2,6%.

De lonen van de werknemers in de EU gaan er dit jaar gemiddeld nominaal met 2,2 procent op vooruit. Dat blijkt uit een studie naar de loonevolutie in de 28 EU-landen door  het  Duitse ­sociaal­economische onderzoeksinstituut WSI.  Maar bij een inflatie van gemiddeld 1,8 procent blijft slechts een beperkte reële loonsvooruitgang van 0,4 procent over. De Europese werknemers merken dus niet veel van de economische conjunctuuropleving met 1,9 procent, luidt de conclusie van het WSI,  een onderdeel van de Hans Böckler-stichting, die gelieerd is aan de Duitse vakbondskoepel DGB. 

In verschillende  EU-landen is de evolutie van de reële lonen zelfs negatief. In Italië en Spanje, bijvoorbeeld, verliezen de werknemers dit jaar meer dan 1 procent aan koopkracht. In Finland is dat zelfs 1,7 procent.

In België bedraagt dat verlies voor 2017 0,3 procent. De berekeningen van het WSI tonen aan dat die ‘daling’ van de Belgische reële lonen niet nieuw is. De trend bestaat onafgebroken sinds het crisisjaar 2009. De gecumuleerde achteruitgang voor de Bel­gische werknemers tegenover de inflatie bedroeg in de voorbije zeven jaar  2,6 procent. 

Dat heeft te maken met pogingen van de verschillende regeringen om de competitiviteit van de Belgische economie te herstellen. Dit via loonmatiging én ingrepen in de indexkoppeling.

Zo heeft de regering-Michel begin 2015, ondanks zwaar vakbondsprotest, beslist tot een indexsprong; lees: om de toepassing van de automatische indexering van de ­lonen aan de inflatie van de consumptieprijzen eenmalig niet toe te passen.

Voorts is de toegelaten enveloppe voor loonstijgingen in de sector- en bedrijfscao’s al meerdere jaren beperkt. Dat bleef op ­macro-economisch vlak niet zonder ­resultaat. Door die aanpak is de loonkostenhandicap weggewerkt die de Belgische bedrijven sinds 1996 gestaag hadden opgebouwd tegenover hun concurrenten in de drie buurlanden (Nederland, Duitsland en Frankrijk). Met dank ook aan de forse loonstijgingen in Duitsland: +9 procent tussen 2009 en 2016.

De grootste loonstijgingen worden dit jaar opgetekend in  Centraal-Europese landen. Zo gaan de reële lonen in Roemenië, dus rekening houdend met de inflatie, er in 2017 met liefst 8,3 procent op vooruit. In Hongarije is dat met 4 procent.

In de meeste West-Europese landen zijn die loonstijgingen veel beperkter: bijvoorbeeld +1,2 procent in Nederland, of +0,8 procent in Duitsland. Uit de studie van het WSI blijkt ook dat lonen aan belang verliezen in het totale beschikbare inkomen.