Arme Belgen profiteren minst van welvaartsgroei
Foto: BELGA
De rijkste Belgen zagen sinds 1985 hun inkomen met 60 procent stijgen, de armste slechts met 16 procent. De ongelijkheid stijgt, maar blijft klein.

Eerst het goede nieuws. Alle inkomensgroepen zijn er tussen 1985 en 2013 op vooruitgegaan. Maar die inkomensgroei was veel forser bij de hoogste inkomens dan bij de laagste inkomens. Dat blijkt uit onderzoek van Wim Van Lancker (UA). Rekening houdend met inflatie, steeg het beschikbare gezinsinkomen van de 5 procent armste Belgen met ongeveer 16 procent, terwijl het inkomen van de 5 procent rijksten met 46 procent steeg en dat van de rijkste one percent zelfs met 60 procent. De laagste inkomensgroepen zagen hun jaarinkomen de voorbije 30 jaar met ongeveer 1.500 euro toenemen, de hoogste inkomensgroepen met ruim 15.000 euro. Dat is na aftrek van de belastingen, maar met bijkomende sociale uitkeringen.

De middenklasse ging er ongeveer met 40 procent op vooruit. ‘Het verschil tussen die middenklasse en de hoogste inkomens is dus veel minder groot dan het verschil tussen de laagste inkomens en de middenklasse,’ merkt Van Lancker op. ‘Vooral de laagste inkomens hinken achterop.’

De cijfers tonen voor Van Lancker hoe de Belgische welvaartsstaat een stevige, stabiele middenklasse en hoge sociale uitgaven combineert met een hoog armoederisico. Daar zijn verschillende verklaringen voor. Zo profiteerden de onderste inkomensgroepen minder van de sterke toename van de tewerkstelling in de voorbije dertig jaar. Vooral laaggeschoolden, migranten en alleenstaande ouders bleven achter. Die zijn daardoor meer afhankelijk van uitkeringen, en die zijn dan weer achtergebleven ten opzichte van het stijgende inkomen uit arbeid.

Denemarken vs. België

Dat het anders kan, bewijst ­Denemarken. Daar profiteerden vooral de laagste inkomensgroepen van de inkomensgroei tijdens de voorbije decennia. ‘In Denemarken zijn de sociale tegemoetkomingen veel meer gericht op het ondersteunen van de armen’, legt Van Lancker uit. ‘In België zijn die veel meer gericht op de werkende middenklasse (denk aan de dienstencheques of het tijdskrediet, red.).’

Het logische gevolg is dat de ongelijkheid in Denemarken is gedaald, terwijl ze in België is gestegen. Beide landen zijn wel aanbeland op ongeveer hetzelfde ongelijkheidsniveau. In internationaal perspectief behoren ze tot de meest egalitaire ter wereld.

Toch zou het verkeerd zijn om de achterliggende divergentie tussen arm en rijk weg te wuiven, oordeelt Van Lancker. ‘Als relatieve inkomensverschillen te groot worden, remmen ze de sociale mobiliteit’, waarschuwt hij. ‘De uitdaging voor de komende dertig jaar wordt dan ook om de sociale uitgaven en het arbeidsmarktbeleid zo in te zetten dat de laagste inkomensgroepen de kloof wat kunnen dichten.’

De studie van Wim Van Lancker is te lezen in een blogpost op www.ivorentoren.be.