Partijen worden financiële concerns zonder maatschappelijke verankering
Foto: dirk waem / belga
Politieke partijen krijgen niet alleen 61 miljoen euro per jaar, ze teren haast uitsluitend op de belastingbetaler. De onwil om dat overheidsinfuus gedeeltelijk af te koppelen, stelt scherp op het ultieme taboe.

‘Er bestaat een consensus om de hervorming van de partijfinanciering verder te bespreken in de werkgroep Politieke Partijen.’ Tot daar het eindverslag van de werkgroep Politieke Vernieuwing. Jaarlijks ontvangen de politieke partijen zowat 61 miljoen euro. De roep om na te denken over die onbeperkte stroom aan belastinggeld klinkt steeds luider. Toch blijven we maar beter pessimistisch.

De standpunten lopen ver uiteen. De N-VA wil het forfaitair bedrag afschaffen (geïndexeerd 255.000 euro per jaar). Open VLD en CD&V verkiezen een plafonnering. Er gaan ook stemmen op om het variabele deel (geïndexeerd 4,19 euro per stem, per jaar) te beperken. Kortom, de eigen positie bepaalt het standpunt. Een grote partij verdient aan het variabele deel, een kleine partij overleeft door het forfait. Een plafonnering viseert de N-VA.

Meteen vreest Inez De Coninck (N-VA), de voorzitster van de werkgroep Politieke Partijen, een oeverloos dovemansgesprek. Na een voorjaar vol berichten van ‘graaiende politici’ moest het oog wel vallen op de royale partijfinanciering. De subsidie versterkt de hoofdkwartieren. De daaruit voortvloeiende particratie nodigt de parlementsleden uit tot volgzame nederigheid.

Boekhoudkundige fijnproevers kunnen zich laven aan de geconsolideerde jaarrekeningen die de Kamer begin juli publiceerde. ‘Gelegaliseerde schriftvervalsing’, grijnsde een voormalige partijvoorzitter ooit. Partijen controleren inderdaad zichzelf, al tekent een revisor. De zesde staatshervorming sprak af om ook het Rekenhof in te schakelen. Dat blijft voorlopig dode letter. De werkgroep Politieke Partijen vergadert niet voor niets achter gesloten deuren.

Limieten

Het opgebouwde vermogen bewijst dat de partijen hun geld niet op krijgen. De oorlogskassen puilen uit, het totale vermogen groeit exponentieel. Het gaat niet langer om appeltjes voor de dorst, partijen vervellen tot financiële concerns. De Leuvens politologen Bart Maddens en Jef Smulders voorspellen dat ze samen tegen 2019 een vermogen van 188 miljoen euro beheren, waarvan de N-VA met 43,3 miljoen euro iedereen de loef afsteekt.

Het uit 1989 daterende systeem schurkt tegen zijn limieten aan. Het werd bedacht voor middelgrote partijen, voor wie de 30 procent een verre droom leek. De N-VA heeft daar lak aan, wat haar financiering flink de hoogte in jaagt.

Bovendien speelt het Mattheuseffect. Een partij met veel mandatarissen kan het zich veroorloven om minder fractiepersoneel aan te werven. Meteen schuift het geld naar de partijkas. Dergelijke praktijken zijn in het buitenland strikt verboden. Zo zitten Marine Le Pen en Jean-Luc Mélenchon in de problemen omdat ze Europees fractiegeld zouden hebben gedraineerd naar de moederpartij.

Crowdfunding

Ten slotte hebben de partijen er verkiezingsvrije jaren opzitten. Bij de beslissing om de Europese, de federale en de regionale verkiezingen te laten samenvallen, lieten partijboekhouders de champagnekurken knallen. Gezien de inspanningen die de bevolking moet leveren, was een tegengeste op zijn plaats. In plaats daarvan besliste de politiek een deel van de financiering die via de hervorming van de Senaat verloren ging, te versassen naar de Kamer.

Binnen de N-VA valt wel eens te horen dat de partij geen raad weet met de jaarlijkse kapitaalsinjectie van 14 miljoen euro. Een deel ervan wordt belegd, volgens een bron tegen extra gunstige voorwaarden omdat het om zo’n aanzienlijk bedrag gaat. De vermogensopbouw bewijst dat de partijen zeker niet met geld smijten. Toch gaan er stemmen op om de behoeften van de partij te objectiveren en daarop een realistische financiering af te stellen.

Maar de kwestie zit dieper. ‘Partijen worden niet aangemoedigd om zich tot hun kiezers te wenden’, drukt Smulders zich voorzichtig uit. ‘Ze zijn gewoon lui geworden’, zegt Kamerlid Hendrik Vuye (ex-N-VA) rechtuit. Zowat 85 procent van de inkomsten komt rechtstreeks van de belasting­betaler, de rest zijn afdrachten (mandatarissen) en lidgelden (leden). Giften stellen zo goed als niets voor. Het parlement beloofde twee weken geleden om de sponsoring verder aan banden te leggen. Maar ook dat lijkt veeleer symbolisch.

De PVDA/PTB vormt een grote uitzondering, met subsidies die nog geen 30 procent dekken. Nu gaat het om een kleine partij, dat trekt de verhoudingen scheef. Toch afficheert ze zich als de ‘grondlegger van de politieke crowdfunding’. De communisten willen zichzelf opbouwen ‘zonder aan het infuus te liggen van de overheidsdotatie’. Een vergelijking met de Amerikaanse presidentskandidaat Bernie Sanders dringt zich op. Via een grassrootscampagne mobiliseerde hij een indrukwekkend bedrag.

Kartelparticipatie

Smulders verwijst naar Duitsland. De forfaitaire partijfinanciering ligt daar een flink pak lager, maar de overheid komt met extra geld over de brug als de partijen bewijzen dat ze via lid- en andere gelden ook mobiliseren. In zijn doctoraat over politieke partijen maakte Dajo De Prins, tegenwoordig fractiemedewerker bij de SP.A, een gelijkaardige afweging. De afhankelijkheid van de overheid verkruimelt de maatschappelijke verankering van partijen.

De Prins stelde ook scherp op een ander nadeel. Het systeem maakt het nieuwkomers of outsiders erg moeilijk om door te breken. Hij sprak van ‘kartelparticipatie’. Wie aanspraak wil maken op overheids­financiering, moet op zijn minst de kiesdrempel halen. Officieel gaat zoiets de versnippering tegen, maar het gaat evengoed om een levensverzekering voor de bestaande partijen. Een hervorming moet zich daarom behalve op de inbreng van middelen uit de samenleving – gemonitord om misbruiken te vermijden – ook toespitsen op het voorwaardelijk financieel bijstaan van nieuwe initiatieven.

Om al die redenen zouden Emmanuel Macron en zijn partij La République En Marche in België nooit kunnen doorbreken. In Frankrijk betaalt de overheid de gemaakte kosten terug wanneer de 5 procent wordt gehaald. De conclusie van Maddens en Smulders in Samenleving en Politiek klinkt dan ook terecht. Het vermogen bezorgt de bestaande partijen een aanzienlijke staying power. Daarbij geven ze blijk van een ‘inkomstenmaximaliserende strategie’. Dat de concurrentie daarvan profiteert, kan hen geen bal schelen. Zolang de eigen boeken maar floreren.